De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 6: Hoofdstuk 6

Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze even gedacht, en nu was 't al uit, alles uit!....

Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem, haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o, aan een engel natuurlijk .... aan een engel!....

Want anders!.... Maar, 't moest een engel zijn, die Wouter lief had....

En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was gekomen, dien Zondag.

't Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht.

Dat was ze dus, dat was ze dus!

Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar 't ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja, ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist 't niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat ze van Wouter hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg?

O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hij was gelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was hij dol van uitgelaten vreugde. Hij was gelukkig.

Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze samen uit,--'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags tusschen twee en vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje, twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: "Maar wat is er dan toch, maatje?" "Niets, kind, niets," zei ze dan en stond schielijk op en liep de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 't dat 'r moeder bijna nooit over haar en Wim sprak.

Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje--'n schichtige beweging, Margreet schrok even en rilde licht—en keek ze haar strak aan en zei zacht: "Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?"

Margreet lachte even, zenuwachtig, "Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan! Of ik van 'm hou—dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet bezorgd...." "Ja, ja!" zei de moeder, "ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor, want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik niet...." Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk, maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend, als altijd.

Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van 'm? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dacht aan haar moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst....

De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei.