De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 5: Hoofdstuk 5

Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht, rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende diamanten de blikken trokken.

Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader geplaatst was, zoodat de gastheer—zooals dat hoort—vlak over zijn vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd, met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.

Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer! talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend bekende tot "die menschen" te behooren—want dat hij er "geen laars" van begreep—pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees en daalde zonder trilling.

't Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig. Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.

Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk, vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.

Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon—zijn zwager had 'm al een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid—vader Rubrecht begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn—en hij en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche .... nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze."

Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen." En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten, zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn zaak zou bloeien, maar dat hij—en de stem van den zwaren man begon te trillen—dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen beschamen zou, dat hij—oom Frits—in hem stelde. Daarvan hing ook voor een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens hij—oom Frits—niet twijfelde.

En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer, en zoo meer....

Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij 't er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door, Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op, glimlachte en veegde haar tranen weg.