De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 3: Hoofdstuk 3

Oom Frits—Wouter's toekomstige compagnon—was een man van talent. Toen zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn lekker-lui leventje—zoogenaamd voor de kunst—met languit liggen op sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op de snaren van een viool—want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten, schilderen—toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed dreef hem voort—weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik versmaadde weinig middelen!

Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van "aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen, aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje voortgezet. Zijn schoonvader—die den slag niet had van 't rentenieren—ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten, goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.

Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits. Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht, tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.

Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij. Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter van deze waschinrichting.

In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp niet veel. 't Was treurig—maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?

Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.

Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent, slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een medemensch!

En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief, jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!.... Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze vreesden, dat hij zich van kant maken zou....

Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou! Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren.

Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen. Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers, illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen verschijnen op geschept papier............................. .....................................................................

En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als procuratiehouder, maar—wanneer alles goed ging—over een jaar lid van de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde—hij hield veel van Engelschen—Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't hem ook aan—en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....

Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker .... o, zeker!....