De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: "sjonge jonge, 't is toch jammer, hoor!...." of: "ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!"
En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel, hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! .... en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders!
De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat vroeger nooit gebeurde.
Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat ze gedaan had. "Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan," zei ze tegen Anna, "dan zou ik zeker sterven van verdriet."
Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken, soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed vooral zijn moeder toe te spreken.
Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich. Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: "'t Is maar tweehonderdtwintig gulden, ik heb ze hem gegeven," en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n beetje van 't licht af.