Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?....
Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar huis!.... Neen, hij was er nog niet....
Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die hartverschroeiende angst!....
De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan, maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis te blijven; ze was immers ook veel te moe....
Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!....
Toen kwam Rubrecht van kantoor en in korte afgebroken zinnen en zonder hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld! Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op zijn ouden dag....
Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen.
Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en keek uit.
De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was.
Ze letten er niet op.
Ze zwegen, ze wachtten.
De vader vroeg alleen nog:.... "Hoeveel is 't .... die schuld....?"
"'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden," zei zijn vrouw.
Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan. "Van Margreet," zei ze alleen, en lei den brief op tafel.
De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven:
"Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V."....
Ze wachtten weer....
Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... "Daar is hij!" riep moeder Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep voorbij, naar boven!....
Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna.
"Wouter!.... waar ben je geweest? .... we waren zoo vreeselijk ongerust!"
"Ongerust? .... om mij?...." vroeg hij bitter.......................... .....................................................................
"Hier is de brief!"
"O! dank u...."
Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij de deur.
"Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!"
"Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je liever hebt, dat ik wegga...."
"Ja! ja!"
"Goed .... goed!...." En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur.
"Binnen!" hoorde ze zacht zeggen.
Ze kwam de kamer in. "Wouter", zei ze, "ik ben niet gerust, voor ik met je gesproken heb...."
Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen, .... de brief naast hem.
Hij gaf geen antwoord.
"Wouter!...."
"Wouter!...."
Daar keek hij op. Hij keek haar aan. "O, moeder, moeder! hoe hebt u dat kunnen doen!" zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt.
Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet voorgesteld. Ze kon niet spreken.
Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: "'t Was heusch om jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel, dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!"
"Voor mij! voor mij!" riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... "Och! moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets meer zeggen! .... laat ik nu zwijgen!" Ze ging, maar bleef nog bij de deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou roepen.
Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde ze 'm mompelen: "'k Wou 'k dood was." En toen weer opkijkend, krachtiger: "Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch alleen!"