Buiten adem kwam hij voor de deur bij Smit aan. Hij schelde wild, en toen de deur openging wou hij doorstormen naar boven, maar Smit—hij was 't zelf—greep hem bij z'n arm. "Niet naar boven!" beval hij ernstig.
"Ik moet, ik moet!" riep Wouter met een woesten ruk.
"Je zult niet!.... Wie 's hier de baas, jij of ik? .... je zult niet naar boven!"
Wouter rukte aan z'n arm maar Smit hield stevig vast.
"Je wilt toch niet, dat ik je de deur uit zetten zal, Wouter?"
Toen gaf hij toe, bleef staan, hijgend.
Smit schudde den arm, dien hij nog vast hield. "Arme jongen," zei hij, met trillende stem, "ik heb bliksems met je te doen! waarachtig! .... maar toe, wees nou flink! .... toon nou dat je 'n kerel bent, 'n mannetjesvent, wat donder! Ga nou naar huis! .... ze zal je schrijven!.... Geloof me, kerel, er is toch niets meer aan te doen, 't is beter zoo!"
"'t Is beter zoo .... 't is beter zoo," herhaalde Wouter met innige bitterheid, "altijd beter zoo! .... als je gemarteld wordt...., als je moet tobben en ploeteren en niets hebt dan verdriet, .... altijd: beter zoo! beter zoo!"
"Arme kerel, arme kerel! .... kom, wees nou bedaard! .... ga nou weg! .... ze zal je schrijven van middag.... Ga nou weg, Wouter, .... maar geef me eerst nog 'n hand, ouwe jongen!.... Ik heb er toch waarachtig geen schuld aan, dat weet je wel!...."
Wouter gaf hem zijn rechter hand; maar even lag die hand slap, zonder actie, in Smit's knijpenden knuist. Toen ging hij weg, zwijgend, langzaam, loom. Hij liep straten en grachten om. Hij wou niet naar huis, niet zijn moeder zien. Hij liep den ganschen middag door, diep ellendig, zich voelend als een schooier, armoedig, verloopen, door de menschen vergeten. Tegen den avond at hij wat in een gaarkeuken, niet veel, hij was te moe. Hij verbeeldde zich, dat alle menschen hem aankeken in die gaarkeuken, ging er gauw uit, liep weer door....
Eindelijk ging hij naar huis, hij wou dien brief lezen.