De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 19: Hoofdstuk 19

Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk "Morgen, moedertje!" en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond. Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. "Hoe is 't nou, Wouter, voel je je nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?"

"Nee!...."

"Mijn goeie arme jongen, mijn jongen, je moet wat doorstaan dezer dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?"

"Zeker, moeder, zeker!" zei hij flauw glimlachend.

Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de koffiekan, verzette 'n paar kopjes.

"Zeg moeder!"

"Wat is 't?"

"Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?"

Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op.

"Zeg, moeder!...."

"Waarom, Wouter?"

"Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan! .... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u 't toch willen afmaken?...." Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem was heesch.

"Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!.... Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan wat alleen op je ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze zal je schrijven!...."

Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar met onbewust gebaar, als een krankzinnige.

Zijn moeder kwam naar hem toe.

Toen vloog hij op, de deur uit.

"Wouter!" riep ze, "Wouter!" En in de gang: "Wouter!"

Maar de voordeur sloeg dicht.