't Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht—nietig vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje op—voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag—en, schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag—ze was dadelijk 't kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje angstig: "er is toch geen onraad?"
"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? .... alleen?"
"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat u mee, .... gaat u mee naar boven!"
Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!"
"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!"
"Niet?" vroeg Smit, verwonderd.
"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en—u weet dat misschien niet—maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't 'm eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...."
"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?"
En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's gemerkt, dat Wouter schulden maakte?"
Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!"
"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo heel veel is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!"
"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm.
"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat 't nog al wat zal zijn."
"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was al dat geld voor?"
"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!"
Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed dat ik haar even roep?"
"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.
Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit, .... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft. De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo, meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik—doe met mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt, dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien, dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet genoeg van hem hield...."
Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.
Eindelijk opperde hij weifelend: "Ziet u 't niet wat te zwart in?...."
"Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal niet willen zien!...."
"Ze had hoofdpijn!...."
"Ja, ja," zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, "ze had hoofdpijn."
Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook—stil, in elkaar gezakt, met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man was als geslagen.... "Wat zullen we doen?" vroeg hij, toen 't zwijgen pijnlijk werd, met weifelende stem.
"Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten."
"Nu? .... nou dadelijk?" vroeg hij, opziende tegen de scène.
"Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is," antwoordde zij.
Hij ging naar de deur en riep: "Gree!.... Gree!"
En ze kwam.
Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe. "Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?"
Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader, kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: "Je hebt geld geleend aan Wouter?"
Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd bleek. "Ja! .... ja, pa!" zei ze.
"Veel?"
"'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!...."
"Zoowat? Weet je 't niet precies?"
"Nee--, ik weet 't niet precies."
"Weet je 't niet precies?" vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid opwindend. "Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen niet op?...."
"Och! meneer Smit," viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna plechtigen toon,--want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar vijandin tegenover zich zag--, "laten we daar nu niet over praten! Mag ik 's wat aan Margreet vragen?"
"Zeker! .... zeker!...." bromde Smit.
Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond 't vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. "Ik heb je nog 's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd je wel genoeg van Wouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed. Houd—je—wel—genoeg—van—Wouter? Is bij hem te zijn wel 't heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting, alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden? .... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?....
Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich niet.
Haar vader liepen de tranen in z'n baard.
"Zeg, Margreet!" begon de moeder weer, "kan-je nu weer antwoorden zoo als toen?"
Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was een zenuwachtig trekken om haar mond.
"Nee! ...." zei ze fluisterend, .... "eigenlijk geloof ik niet, dat ik...."
"Maar Greetje!" riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening meester te worden, "hoe kom je nu zoo...."
"Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat je niet zooveel van 'm houdt," ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat onaangenaam scherpe, "je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!.... Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit te gaan?...."
"Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht," zei ze, plotseling uitbarstend in hoog snikken. "Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want ik wil 't ook niet langer...., ik wil 't niet...., ik ben altijd vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!" En ze stampte op den grond en huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel.
"Margreet!" riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, "ik wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig .... heel lichtzinnig!...."
"'t Is toch niet waar!" huilde 't meisje weer, "ik ben niet lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu al altijd zuur moeten kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!...."
Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n hand en zei zacht: "Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien...."
"Goed!.... Goed!.... zei Smit, "ik zal met haar praten...."
Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje dat daar op dien stoel lag.