Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: "Wat is er, Wouter, heb je weer wat met oom gehad?...."
"Ja, ja!" viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid, schielijk in. "Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg."
Anna schrok. "Hemel!" riep ze.
De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: "Ruzie, ruzie! .... kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er eigenlijk, Wouter? Heb je...."
Maar Wouter viel hem in de rede: "Vader, laten we er nu niet over spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!...."
"Goed! .... goed, jongen," bromde de oude man weer en at langzaam kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: "Ruzie! ruzie!...."
Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op.
Hij ging uit.