Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen, zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen, zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur. Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op en keek naar de klok.
Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou, als hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was 't voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren....
En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over den ganschen grond rondom....
En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en die kamer midden in een groot leeg huis. En ze hoorde een klok dof brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil .... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar zijn .... en dan zal ik rusten....
Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen, bleek, ontdaan en liep op haar toe: "O, moeder, moeder! wat moet ik nou doen," kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar niets, niets had dat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd geschud, hij had erg bedrukt gekeken—maar hij had hem toch op hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd....
Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o God!....
En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan.
Zij huilde ook en beklaagde hem en gaf hem lieve naampjes en deed haar best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak; zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht: "Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken."
"O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!...."
"Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig kunnen zijn .... geen van beiden."
"Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!...."
Zij zuchtte. "Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn," zei ze.
"Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?"
"Nee...." fluisterde ze.
"Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, .... maar daarom hoeft alles toch nog niet uit te zijn! .... o! laat me haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet 't niet!"
"Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!"
"En altijd ben ik meer van haar gaan houden!"
"Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!"
"En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!"
"Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!"
"O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!"
"Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!"
"Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!"
"Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat zou je ook niet willen?...."
"O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!...."
Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen mocht.--Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: "Wouter, 't is nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar, dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwd was ingezien, dat ik nooit zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou.... Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij, Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn.... O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad tegen je zelf als je haar trouwt!"
"In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!"
"Ze bedriegt je...."
"Dan wil ik maar bedrogen worden!...."
"Maar ik wil 't niet," zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht, niet een heel andere stem, "ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost in 't leven, mijn eenige rijkdom, en trots! .... jij zult gelukkig worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt, hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!"
En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de hand. "Waar gaat u heen?" vroeg hij angstig. "Naar Margreet," zei ze, vlug, met vaste stem, "ik ga haar spreken."
"U wilt 't gaan afmaken!"
"Dat zal aan haar liggen," antwoordde ze, ontwijkend.
"Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet...." klaagde hij.
Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar lippen, strafstarend met wijde oogen....
Hij leunde tegen den deurpost met hangend hoofd, hij was heelemaal gebroken en op.
"Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna," vroeg hij.
"Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,--ik mag toch zeker wel naar 't meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?"
Haar stem was hard, brutaal scherp,--heel vreemd.
Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder—hij dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen! Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje, waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen er rillingen over zijn rug.
Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan.... Maar morgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug.