De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 12: Hoofdstuk 12

Op een middag—ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer—kwam plotseling Frits van Plaswijk binnen.

Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes en ging gauw weer weg.

Nu was hij ook—als 's Zondags—keurig gekleed, correct in zijn spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat opgewonden.

"'t Bevreemdt je zeker, Marie," zei hij, na een lichten handdruk, "dat ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen spreken, ik ben je 'n raad schuldig."

Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend naar zijn woorden.

"Ik ben je 'n raad schuldig," herhaalde hij, langzamer en streek met zijn hand langs zijn geschoren kin.

"God! wat is er, Frits," vroeg ze toen.

"Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik heel mooi .... heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik je zeggen!--wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan, Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat weet ik...."

"Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?"

Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren.

"Weet je van niets?" vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van spot en meelij.

"Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?"

"Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!"

Haar gezicht helderde op. "Is 't zoo erg?" vroeg ze.

"Ik geloof, dat 't nog al heel erg is," zei hij, "altijd voor zijn doen, vat je."

"Krijg jij ook geld van 'm," vroeg ze.

"Nou, dat 's maar een kleinigheid," zei hij, "'n vijftig gulden!.... Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik dan wel!"

"Wie bedoel je? Margreet toch niet?"

"Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!"

"Nu overdrijf je toch wel wat, Frits," zei ze, zenuwachtig grabbelend in het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn schouders op. "'t Kan zijn," zei hij, "maar wat ik dan maar zeggen wou is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen loopt anders in zijn verderf,--je begrijpt: onze zaak is jong, veel wordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,--tot nog toe ten minste—is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! .... hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk," herhaalde hij langzaam met 'n gewichtig gezicht,--"en deed hij dat nog maar altijd goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij werkt loom, laks,--vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is allemaal dat meisje van 'm!...."

"Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief .... zoo goedhartig...., zoo...."

Oom Frits floot even zacht voor zich uit. "Daar niet van!" riep hij toen uit, "ze is charmant .... allercharmantst! .... als ik haar had ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!"

"Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft," zei ze, met innige teleurstelling in haar stem.

"Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,--als hij absoluut trouwen wil ten minste!--en Margreet moet zien, dat ze 'n knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!"

Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets.

Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden.

Eindelijk begon ze weer: "Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol, zoo dol veel van haar!...."

Hij haalde even zijn schouders op en floot door.

"En zij van hem! .... dat kan niet anders!" zei ze weer, met een zacht-weemoedigen glimlach.

Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders.

"Geloof je 't niet," vroeg ze, angstig, "geloof jij 't niet, dat ze genoeg van 'm houdt?"

"Ik weet 't niet," zei hij, ongeduldig, "ik weet 't niet, maar (en hij stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!"

"Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?...." begon ze met drift.

"Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, .... ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!...." En hij reikte haar weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen.

En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op zijn onderlip.

"Zoo!....," zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, "zoo! heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?...." En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels op de tafel, schreeuwde hij: "Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten en kletspraatjes maken—maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven voor zijn belangen alleen,--die verregaande egoïst!--hij stinkt van egoïsme, die vent!--hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt, hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte plannen zal willen uitvoeren—laten uitvoeren bedoel ik!--maar ik doe 't ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier verdienen!--ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!"

Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, wat moest ze nu beginnen, o God, o God!

"Wouter!" zei ze herhaaldelijk, "Wouter!" maar hij hoorde 't niet.

"'k Ga er van daan," schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer, "'k ga weg, morgen nog!--dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien kijken!--kan me ook wat schelen!--hij kan naar den bliksem loopen!--Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!--omdat ze levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, .... en nacht!"

"En nacht?" herhaalde zij, dof.

Hij keek haar even aan. "Nou ja, moeder," zei hij zachter, met tranen in zijn stem, "ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! .... ik trok mijn schoenen uit en deed alles heel zachtjes."

Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en barstte in snikken uit.

Zijn moeder ging naar hem toe.

Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed die half open en vroeg naar buiten: "Wel?" 't Was Anna: "Ma, wat is er toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is...." en toen zachter: "Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad."

"Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm en zeg aan pa ook dat er niets is.--Wouter heeft wat met oom gehad, .... maar 't komt allemaal weer terecht."

"Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!" gilde Wouter, opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken.

"Wouter!" zei zijn moeder met wanhoop in haar stem.

Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei: "Arme jongen, arme, arme jongen'" En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen op zijn voorhoofd.

Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: "Margreet opgeven! mijn lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't niet! .... ik kan 't niet!...." En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn arm.

"Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch," zei ze, hem aldoor streelend over zijn haar, "dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalen kunt, niet kunt .... dan zal ze toch niet eischen...."

"Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!...."

O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat grage genieten.

"Maar 't moet toch," zei ze weer, wanhopig, "'t moet toch...."

"Ja," snikte hij, "'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost .... o God! o God!"

"Zal ik met haar spreken," opperde ze, weifelend.

"Nee, moeder!" zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht afdrogend.... "Nee! nee! .... 'k zal 't zelf wel doen! .... 't moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar gaan halen; we moeten op visite!"

"Schrijf 't af," zei ze, "zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf haar ook 'n briefje!"

"Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen, zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden, moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik .... ik ga dan maar ongemerkt uit!...."

En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan. Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen.

Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp: "Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders zoeken, .... 'n jongen als hij komt overal terecht! .... er zijn kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet opgeschept!...."

Hij kreeg geen antwoord.

En hij rookte zijn pijp maar weer door—zijn pijp, zijn eenigen kameraad!--en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht....