De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 11: Hoofdstuk 11

Weer ging een maand voorbij.

De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.

Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens, zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.

En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen, en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs, iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.

Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.

Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!"

"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?" vroeg ze verschrikt.

Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk haastig zijn kop thee uit en ging weg.

Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer stil gebleven.

Tobbend leefde ze door.