De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren · Jules Verne (translated by Evangeline)

Chapter 18: In het Bosch

Terwijl de voorzitter en de kapitein de zooeven verhaalde afspraak maakten, trachtte Michel Ardan tevergeefs van de vermoeienissen der volksvergadering uitterusten, trachtte, zeg ik, want rusten is op Amerikaansche bedden een moeilijke zaak: zij kunnen zich in hardheid met de beste marmeren tafels meten. Ardan sliep dan ook slecht, en terwijl hij zich om en om keerde tusschen de servetten, die lakens moesten verbeelden, nam hij zich voor, in zijn projectiel een gemakkelijker rustbed aan te brengen.

Zijn overdenkingen daarover werden gestoord door een hevig kloppen op de kamerdeur en een schreeuwen: »open, in 's hemels naam doe open."

Nog eer hij van bed was, stortte iemand de kamer meer binnen dan hij er in stapte. 't Was de secretaris der Gun-club, vriend Maston.

»Gisteren avond," stootte deze hijgende uit, »is onze voorzitter in 't openbaar beleedigd. Hij heeft zijn partij uitgedaagd, 't is niemand anders dan kapitein Nicholl. Dezen morgen vroeg vechten zij in het bosch Skerman, ik heb dat uit den mond van Barbicane zelf. Als hij valt, ligt onze gansche zaak in duigen. Zij moeten elkander niet te lijf. Er is in de wereld maar één persoon die invloed genoeg op Barbicane heeft om dat duel te verhinderen, en die persoon is Michel Ardan."

Intusschen had Michel Ardan zijn kleeren aangeschoten en eenige minuten later namen de beide vrienden den weg naar de voorsteden van Tampa-Town onder de voeten. Onderweg bracht Maston den Franschman op de hoogte der zaak, namelijk van den ouden grond der vijandschap tusschen Barbicane en den kapitein. Hij verhaalde hoe personen, met beiden bevriend, nog altijd een persoonlijke ontmoeting van beiden hadden weten te verhinderen, en dat Nicholl nu eindelijk de gelegenheid had te baat genomen om oude veeten op te rakelen.

Niets is afschuwelijker dan de persoonlijke veeten in Amerika, gedurende welke de beide partijen elkander beloeren op hoeken en wegen en als wilde beesten elkander in het houtgewas aanvliegen. In zulke gevallen moet ieder van hen jaloersch zijn op die verwonderlijke hoedanigheden, van nature eigen aan de Indianen der prairiën, hun snelle bevatting, hun schrandere list, hun ruiken van de voetstappen hunner vijanden. Bij dat rondsnuffelen naar hunnen vijand gaan de Yankees er dikwijls op uit met hunne honden, en terwijl zij jager en wild tegelijk zijn, liggen ze uren lang op de wacht.

»Welk een duivelsch volk zijt gij!" riep Michel Ardan uit, toen Maston hem de geheele geschiedenis verhaalde.

»Zoo zijn wij nu eenmaal," antwoordde de secretaris, »maar wij moeten ons haasten."

Doch hoe ook aanstappende, het bosch Skerman konden zij niet vóór halfzes bereiken. Barbicane was aan zijn kant reeds een half uur geleden het bosch ingetreden.

Zij zagen een bejaarden houthakker takkebossen binden. Maston ging naar hem toe en riep reeds uit de verte: »hebt gij iemand met een buks het bosch zien inkomen,.... mijnheer Barbicane, den voorzitter....

De secretaris der Gun-club dacht in zijn eenvoud, dat zijn voorzitter als zoodanig aan de geheele wereld bekend moest zijn. Maar de houthakker scheen hem niet te begrijpen.

»Een jager," voegde Michel Ardan er bij.

»Een jager? ja," antwoordde de houthakker.

»Is het lang geleden?"

»Bijna een uur."

»Te laat!" riep Maston uit.

»En hebt gij geweerschoten gehoord?" vroeg Michel Ardan.

»Neen."

»Geen enkel?"

»Geen enkel. De jager schijnt platzak thuis te zullen komen."

»Wat nu?" zei Maston.

»Het bosch ingaan, op gevaar af een schot te krijgen, dat niet voor ons bestemd is."

»Ach!" klaagde Maston op droevigen toon. »Ik had liever tien kogels in het hoofd dan éen in dat van Barbicane."

»Vooruit dan!" sprak Michel Ardan.

Zij gingen verder, een uur lang, maar vruchteloos. Zij riepen van tijd tot tijd: »Barbicane!" »Nicholl!" Maar tevergeefs. Nog een uur—even vruchteloos.

Reeds begonnen zij den moed op te geven, toen Maston iemand meende te zien. Hij vergiste zich niet. 't Was kapitein Nicholl. Maar wat deed hij? Niets anders dan een vogeltje uit het net eener reusachtige vergiftige spin bevrijden!

De kapitein hoorde geritsel. Hij keek op en riep: »Michel Ardan! Wat komt gij hier doen, mijnheer?"

»U de hand drukken, Nicholl, en u beletten Barbicane dood te schieten of door hem doodgeschoten te worden."

»Barbicane," riep de kapitein uit, »ik zoek hem sedert een paar uren, maar ik kan hem niet vinden. Waar zit hij?"

»Barbicane," antwoordde Michel Ardan, "is een man die achting verdient, en wat gij ook met hem gehad moogt hebben, dat moet uit zijn. Ik gedoog niet, dat ge met hem duelleert."

»Ik zal met hem duelleeren."

»Gij zult het wel laten. Gij hebt iets te doen dat vrij wat beter is."

»En dat zou zijn?"

»Dat zeg ik alleen als Barbicane er bij is."

»Dan zullen wij hem opzoeken."

't Geschiedde, en eindelijk vonden zij den voorzitter der Gun-club aan den voet van een boom zitten. Zoodra deze hen zag sprong hij op en riep uit: »Gevonden!"

»Wat?" vroeg Michel Ardan.

»Het middel om den weerstoot van het projectiel onschadelijk te maken. Water, niets dan water"....

»Zijt gij daar ook, Maston!" riep hij, zijn secretaris ziende.

Michel Ardan stelde hem aan kapitein Nicholl voor.

»Ik was het glad vergeten," stotterde Barbicane, »maar ik ben tot uw dienst."

»Daar komt niets van," sprak Michel Ardan met nadruk. »Ik heb u iets voor te stellen. Vriend Barbicane gelooft dat zijn projectiel rechtuit naar de maan zal vliegen."

»Zonder twijfel," merkte de voorzitter aan.

»En vriend Nicholl is overtuigd, dat het naar den grond zal terugkomen."

»Zonder twijfel," liet de kapitein zich hooren.

»Mooi! Ik, Michel Ardan, matig mij niet aan, u tot elkander te brengen, maar wel bij elkander. Gij gaat met mij mede, dan weet gij waar wij blijven."

De beide kampioenen stonden versuft. Barbicane wachtte op het antwoord van den kapitein. Nicholl keek naar Barbicane's lippen.

»Er is toch geen weerstoot te duchten," sprak Michel Ardan.

»Top!" riep Barbicane.

»Top!" herhaalde de kapitein onmiddellijk daarop.

»In orde!" eindigde Michel Ardan. »Thans noodig ik de heeren tot een ontbijt."