De vergadering werd heropend met een motie van orde. Een der aanwezigen verzocht, dat men nu eens van de theoretische beschouwingen tot de practische zaken zou komen.
Aller blikken richtten zich naar den man die deze woorden uitte, en toen er niet spoedig genoeg naar zijn zin antwoord kwam, nogmaals zijn stem verhief: »Wij zijn hier om te spreken over de Maan, niet over de Aarde."
»Gij hebt gelijk, mijnheer," antwoordde Michel Ardan, »wij zijn van ons onderwerp afgeraakt en zullen tot de maan terugkeeren."
»Mijnheer," sprak de onbekende, »gij beweert, dat de Maan bewoond is. Maar dan moeten die luidjes leven zonder ademhalen, want er is geen aasje lucht op de Maan."
»Wie zegt dat, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan.
»Deskundigen!"
»Deskundigen!" sprak Michel Ardan met een ongeloovig lachje. »Deskundigen! In Frankrijk is een »deskundige," die wiskundig heeft bewezen dat een vogel niet vliegen kan, en een ander »deskundige," dat de visschen niet bestemd zijn om in water te leven."
»Daarover handelen wij nu niet, mijnheer!"
»Gij hebt het zeer gemunt, mijnheer, op een armen weetniet, die niets liever verlangt dan onderricht te worden."
»Waarom roert gij dan wetenschappelijke vraagstukken aan, als gij er geen kennis van hebt?" vroeg de onbekende vrij brutaal.
»Waarom? Omdat ik mij juist door mijn zwakheid sterk gevoel."
»Uw zwakheid wordt dwaasheid," merkte de onbekende zeer onbeleefd aan.
»Zooveel te beter!" riep de Franschman uit, »met mijn dwaasheid ga ik naar de maan."
Barbicane en zijn medeleden sloegen blikken van afkeuring en misnoegen, maar ook van heimelijken angst op den onbekende, die het schip der discussie naar de klippen van de gevaren en onmogelijkheden der onderneming scheen heen te sturen.
»De Maan," ging de vreemde voort, »heeft geen dampkring, en als zij er ooit een gehad heeft, moet die reeds sedert lang door de Aarde aan haar zijn onttrokken. Maar ik zal u liever feiten voorleggen."
»Leg mij zooveel voor als gij wilt," zei Michel Ardan met een zeer Fransch-hoffelijke buiging.
»Gij weet, dat wanneer de lichtstralen een middenstof, zooals de lucht doorloopen, zij van de rechte lijn afwijken, dat zij een zoogenaamde buiging of breking ondergaan. Welnu! Wanneer een ster door de Maan bedekt wordt, heeft men, als zij nabij de Maan gekomen was, nog nooit gezien, dat haar stralen eenige flectie ondergingen. De Maan vertoont dus geen spoor van dampkring."
»Dat zegt weinig, want de maanrand is niet volkomen scherp begrensd. Maar zeg mij liever, of gij al dan niet gelooft aan vulkanen op de Maan."
»Uitgedoofde wel, werkzame niet."
»Die vulkanen moeten dan toch eens in werking zijn geweest."
»Zeker, maar daar zij-zelven de ter verbranding noodige zuurstof konden leveren, bewijst het feit hunner uitbarsting niets voor het bestaan van een dampkring."
»Ik zal u feiten leveren," sprak Michel Arden bedaard. »In 1715 hebben de weerkundigen Louville en Halley, den 3den Mei van dat jaar een eclips waarnemende, eenige vuurschitteringen van zonderlingen vorm gezien. Zij bewogen zich snel en werden door de genoemde waarnemers voor onweders gehouden."
»Die waarneming betreft niets dan vuurbollen, zooals wij ze op de aarde ook wel eens zien. Zoo hebben andere geleerden er over geoordeeld en ik doe het ook."
»En heeft," vroeg Michel Ardan met onverstoorbaarbare kalmte »Herschel dan in 1787 geen menigte lichtpunten op de donkere zijde der Maan gezien?"
»Zeker, maar Herschel heeft niet getracht dat verschijnsel te verklaren en er althans geen bewijs voor het bestaan van een dampkring der Maan uit afgeleid."
»Goed geantwoord," sprak Michel Ardan niet zonder bijtende scherts, »gij schijnt ver in de maankennis."
»Ver genoeg om te weten, dat Beer en Mädler, sterrenkundigen die zeer hun werk van de Maan hebben gemaakt daaromtrent ook bepaald van hetzelfde gevoelen zijn."
Michel Ardan was niet uit het veld geslagen. »Laussedat, een bekwaam sterrenkundige, heeft in de eclips van 18 Juli 1860 de horens der zon afgerond en scheef gezien. Dit verschijnsel kon onmogelijk een andere oorzaak hebben dan een maandampkring."
»Maar is die waarneming bewezen?"
»Bewezen."
»Met uw verlof, boven de bergen dan toch niet," meende de hardnekkige onbekende.
»Dan toch in de valleien, eenige honderden voeten lager."
»Pas maar op dat ge dan komt waar gij wezen moet," was de raad van den onbekende.
»Dank u; er is allicht lucht genoeg voor één persoon, en ik zal wat zuinig ademhalen."
»Nu wij het," ging Michel Ardan voort, nadat de ongelooflijke toejuiching van zijn laatsten kwinkslag genoegzaam bedaard was, »nu wij het over, zij het dan een dampkringetje, eens zijn, moeten wij ook aannemen dat er water op de Maan is. Blij toe. Maar mag ik mijn geachten bestrijder nog iets doen op merken? Wij kennen slecht éene zijde der maanschijf, en er moge dan op de naar ons toegekeerde zijde weinig lucht zijn, mogelijk is het aan den anderen kant anders. De Maan toch heeft door den invloed van de aantrekkingskracht der aarde den vorm van een ei aangenomen, dat wij op de punt zien. Vandaar dat, gelijk ook de berekening van Hansen uitwijst, haar zwaartepunt in de van ons afgekeerde zijde ligt. Vandaar de meening, dat al de lucht en al het water, bijna terstond na de schepping der maan, naar die voor ons onzichtbare zijde moeten geweken zijn."
»Praatjes voor de vaak!" riep de onbekende uit.
»Neen, geen praatjes, zuivere wetenschap, geput uit de wetten der beweging."
»Gij zijt een roekelooze gek!" liet de onbekende zich ontvallen, maar het scheelde weinig of men zou hem om dien uitval buiten de vergadering geworpen hebben.
»Roekeloos?" vroeg Michel Ardan. »Ik ben zelfs zeer voorzichtig. Heb ik niet mijn vriend Barbicane om een projectiel verzocht, dat rechtuit schiet en niet als een kogel om en om rolt?"
»Ongelukkige, de schok zal u in het oogenblik van uw afreis te morsel slaan."
»Mijn waarde heer, daar slaat gij juist den spijker op den kop en legt den vinger op de eenige kwetsbare plaats. Maar ik denk wel dat het schrander beleid der Amerikanen er in zal voorzien."
»Maar de hitte, die door de snelle beweging van het projectiel door de lucht zal ontstaan?"
»De wanden zijn dik en ik zal in een oogenblik buiten den dampkring zijn."
»Maar de levensmiddelen en water?"
»Ik heb berekend voor een jaar te kunnen medenemen en mijn reis zal vier dagen duren!"
»En de lucht om onderweg in te ademen?"
»Langs scheikundigen weg zal ik lucht maken."
»Maar uw val op de Maan, gesteld dat ge er immer komt?"
»De val zal slechts 1/6 der kracht van een val op de Aarde hebben, aangezien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is."
»Toch genoeg om u te verbrijzelen als glas."
»En wie zal mij beletten mijn val te breken door middel van vuurpijlen, goed vervaardigd en op hun tijd aangestoken?"
»Wij willen nu eens aannemen, dat alles op zijn gelukkigst gaat en alle kansen in uw voordeel loopen; wij willen onderstellen dat gij heelhuids op de Maan aanlandt—hoe komt gij terug?"
»Ik kom niet terug."
Dit antwoord, verheven door zijn eenvoud, bracht de vergadering in een stomme verbazing. Maar die stilte was welsprekender dan de luidste bijvalsbetuigingen zouden geweest zijn. De onbekende maakte er gebruik van om nog een laatsten pijl af te schieten.
»Ga voort, want inderdaad gij zijt een recht aangename profeet," zei Michel Ardan met een vriendelijk lachje.
»Al genoeg," was het antwoord. »Ik weet niet waartoe verdere schermutselingen dienen zouden. Ga uw gang met uwe dollemans onderneming. Met u is er geen praten over."
»Geneer u anders niet!"
»Neen! het is een ander die de verantwoordelijkheid uwer dwaasheid draagt."
»En wie dan, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan op hoogen toon.
»De weetniet, die deze even onmogelijke als bespottelijke onderneming op touw heeft gezet."
De steek was niet onder water. Barbicane had al van het oogenblik af dat de vreemde in het strijdperk verschenen was, alle moeite gedaan om zich in te houden. Nu hij zoo ongezouten bij den kraag werd gevat, stond hij op en trad op den onbekenden spreker toe, die hem uittartend afwachtte.
Plotseling werd hij van dien man gescheiden. Opeens namen honderd armen de tribune op, en de voorzitter der Gun-club benevens Michel Ardan werden in zegepraal rondgedragen, evenals bij de Ouden de held op een schild.
Het schild woog nogal zwaar, maar de dragers wisselden elkander onophoudelijk af, daar iedereen wedijverde om zijn schouders onder deze huldebetooging te zetten.
De onbekende had echter van de verwarring geen gebruik gemaakt om weg te sluipen. Hij zou het ook in dat dichte gedrang niet hebben kunnen doen. Hoe het zij, met de armen over elkander geslagen hield hij den strakken blik op Barbicane gevestigd.
Deze verloor hem niet uit het oog en de oogen der beide mannen schoten als bliksemstralen tegen elkander in.
Inmiddels bewoog zich de tribune stadwaarts, op de schouders wiegelende als een boot op het water, te midden van ontelbare hoeden, als golven bewogen. Nu en dan stampte en slingerde het vaartuigje wel wat, doch de beide passagiers stonden stevig en zij bereikten gelukkig de haven van Tampa-Town.
Michel Ardan slaagde er gelukkig in, zich aan de laatste toejuichingen zijner vurige bewonderaars te onttrekken. Hij vluchtte in het hotel Franklin, sloop naar zijn kamer en dook onder de dekens, terwijl een eerewacht van 100.000 personen onder zijn ramen verzameld stond.
Inmiddels had een kort, ernstig, beslissend tooneel plaats tusschen den geheimzinnigen kampvechter en den voorzitter der Gun-club.
Zoodra Barbicane de handen vrij had, ging hij op zijn partij af.
»Kom eens hier!" zeide hij kortaf.
De ander volgde hem op de kade. Zij waren met hun beiden alleen. Met toornige blikken zagen zij elkander aan.
»Wie zijt gij?" vroeg Barbicane.
»Kapitein Nicholl."
»Ik dacht het half. Tot dusver heeft het toeval u nooit op mijn weg gevoerd...."
»Ik ben er met opzet op gekomen."
»Gij hebt mij beleedigd."
»In het openbaar."
»En gij zult mij rekenschap geven van dien hoon."
»Op 't oogenblik."
»Neen, ik verlang dat alles tusschen u en mij blijft. Drie mijlen van Tampa is een bosch, het bosch Skerman. Kent gij het?"
»Ja."
»Is het u goed er morgen te 5 ure van den eenen kant in te gaan."
»Zeker, indien gij er op denzelfden tijd van den anderen kant in komt?"
»En gij zult uw buks niet vergeten?" zei Barbicane.
»Zoo min als gij de uwe," antwoordde Nicholl.
Na dit koele gesprek gingen de kapitein en de voorzitter der Gun-club elk huns weegs. Barbicane kwam thuis, maar in plaats van eenige uren rust te nemen, toog hij aan het zoeken van middelen om den weerstoot van het projectiel te voorkomen en het door Michel Ardan opgeworpen vraagstuk optelossen.