Mathan! d'un prétre est-ce là le langage?
Is dit eens priesters taal, o Mathan?
Racine, Athalie.
Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in 's-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip toescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in 't behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem liet aandienen.
"De Vicaris!" riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: "voorwaar de man kan nooit op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat's kamp.--Maar de duivel!" vervolgde hij, zich achter 't oor krabbende: "zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht: non tali auxilio, non talibus defensoribus.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?".... [47]
"Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?".... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.
"Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!--laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken."
Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. "Salve: celsissime vir!" zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: "nogmaals salve! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?"
"Ik ben heden van Tiel teruggekeerd," antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: "en hoe gedraagt UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?"
Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, welke hieruit zouden ontspruiten.
"Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen," zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?"
"Daarover," zeide Ambrosius, "valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie."
"Uw eigen geloofsgenooten," riep Velasco verbaasd uit: "over wie hebt gij te klagen?"
"Mijn klachten," hernam Ambrosius, "hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op 't hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen."
"En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?"
"Wie?--het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen."
"Hoogwaardigste!" zeide Velasco, verbleekende: "gij bedoelt toch de Jezuïeten niet!"
"Zie," hernam de Vicaris: "den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even geschikt voorkomen:--en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:--neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan 't welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen."
"Mijn waarde Heer Vicaris!" zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: "laat ons liever van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is."
De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.
"Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt," zeide De Groot tot Velasco, "dat wij van UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt."
"Geen plichtplegingen," was het antwoord van den gastheer: "het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten te mogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman: artium liberalium expertus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide."
"Expers meent UEd. voorzeker," zeide De Groot: "maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk ik de pen voere."
"Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is," hernam Velasco: "het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam...."
"Aangenaam is het ook mij," zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, "in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is."
Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.
"Verschoon mij, Mijnheer!" hernam De Groot: "Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?"
"Waren die Heeren ook Remonstranten?" vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.
"Gewis, Mijnheer!" antwoordde Uyttenbogaert: "in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd."
"UEd.," zeide De Groot met verbazing, "heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen."
"Buiten twijfel," hernam Velasco: "mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: dat was immers de man, die zeide; "Quousque tandem Catalina...."
"Catilina," verbeterde De Groot.
"Juist, Catilina.--Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom lag mij die naam in 't hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, en non omnes omnia...."
"Non omnia possumus, omnes, [48] als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven."
"Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen," zeide Grobbendonck: "de meeste der helden, die UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in 't werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft."
"Ja, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop van alle brave lieden."
"De vrede zou mij dierbaar zijn," riep De Groot uit: "doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden."
"Ik eer uw nauwgezetheid," antwoordde Grobbendonck: "wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk 's Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo 't u goeddunkt, uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer."
"Onzen beschermheer?" vroeg De Groot, verwonderd: "wien kan UEd. bedoelen?"
"Graaf Hendrik Frederik," antwoordde Grobbendonck: "zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten."
De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.--Grobbendonck redde hen echter uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden.
Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier van Brabant, Pieter Pekkius.
"Waarlijk," riep Velasco uit: "hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de vrienden met zulk een drift?"
"Spoorslags van Brussel," zeide Spinola: "ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft."
"Noch in mijn leven weder hoop te doen," zeide Pekkius, Spinola's gezegde met een knik en een zucht bevestigende.
"Zoo gaat het," merkte Grobbendonck lachende aan: "die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier."
"Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?" vroeg Velasco: "zijn er slechte tijdingen?"
"Van belang," antwoordde Spinola: "doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?"
Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken: doch dat hij voor 't oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welke injunctie De Groot en zijn medeballingen vertrokken.
"Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd," zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: "UEd. mag de tijding gerust vernemen, welke wij met ons brengen."
"En welke is die?" vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.
"Zijne Majesteit...." antwoordde Spinola, de schouders ophalende.
"Is toch niet overleden," viel Grobbendonck in, met drift.
"Is overleden," antwoordde Pekkius.
"Is overleden," herhaalde de Generaal: "en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen."
"Waarlijk, gewichtige en droevige slagen," hernam Velasco, "en dat juist met het einde van 't Bestand."
"En wat dient er nu gedaan?" vroeg Grobbendonck.
"De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen," zeide Spinola, somber voor zich ziende.
"God geve dat hij gesloten worde!" riep Ambrosius uit.
"Daar is geen nood voor," hervatte de Veldheer: "de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen leggen;--doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?"
"Mij onbewust," antwoordde Grobbendonck: "ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven."
"Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet."
"Gewond!" riepen al de aanwezigen uit: "en hoe is het mogelijk...."
"Men had het op mijn leven toegelegd," antwoordde de Vicaris; "doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden."
"Uw leven was in gevaar!" riepen de aanwezigen uit: "wij bidden u, verhaal ons...."
"Het verhaal is kort en eenvoudig," zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat 's middags gebeurd was.
"En op wie vallen uw vermoedens?" vroeg Pekkius haastig.
"Ik heb geen vermoedens," hernam de Vicaris op een drogen toon.
"Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn," merkte Spinola aan.
"Geen wonder," hervatte Ambrosius; "hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis."
"Van mij?" vroeg Velasco verwonderd.
"Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed."
"Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten."
De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam afscheid van het gezelschap.
Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem 's avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.
"De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?" zeide de Grootmeester, zich bezinnende: "ha ja, nu herinner ik mij: eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten."
Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: "mag ik weten wien ik de eer heb..."
"Dat is juist, wat ik vernemen kwam," was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.
"Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?"....
"Door Pater Eugenio!" herhaalde Joan, verbleekende. "En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?"....
"Van Dyk.... Eugenio...." stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: "nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer Van Sonheuvel is opgevoed...."
"En die thans," vervolgde Joan, "de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw overleden broeder."
"Juist," hernam Velasco: "dezelfde: doch, neem plaats!"
Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:
"Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens," voegde hij er met welwillendheid bij, "dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten."
"Ik was verre," zeide Joan, zich buigende, "zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks veroorloven."
"En mag ik thans vragen," zeide Velasco, "waarin ik u van dienst kan zijn!"
"Voor 't oogenblik verlang ik niets," antwoordde Joan, "dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte."
"Natuurlijk, zeer natuurlijk!" zeide Velasco, zich over de kin strijkende: "ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude ontvangen."
"Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden."
"Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,--Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn! vindice nodus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide."
"Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te Sonheuvel gevangen."
"Wat zegt gij?" riep Don Louis verschrikt: "hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren."
Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.
"Slechte tijding!" zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: "deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit."
"Gevangen zat," zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: "Pax Vobiscum!" [49]
"Voor den duivel!" riep Velasco, een stap terugtredende: "de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren."
"Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris," [50] zeide de Jezuïet: "ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk vermoord werd."--Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.
"Ik zelf," antwoordde Eugenio, "heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart gij."
"Zoo heb ik dan geen moeder," zeide Joan met een zucht: "en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?"
"Ik heb u alleen gezegd," hernam de Jezuïet, "dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden."
"Welaan, mijn waarde neef!" zeide Velasco: "sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil staan.--Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten."
"Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken," zeide Joan: "doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken."
"Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?" vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.
"Verwondert u dat?" vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. "Een woord met u, Pater!" en tegelijk, hem om den arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.
"Gij weet dus ook niet," vervolgde de Kanselier, "dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest."
"Ik kom pas in Den Bosch."
"Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.--Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd."
"Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand," hernam de Jezuïet met trotschheid.
"Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.--Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is van Pater Eugenio."
"Heeft de schoft geklapt?" vroeg deze met een woesten blik.
"Dat geloof ik niet," antwoordde de Kanselier, "daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal 't mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in 't vervolg behoedzaam te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden."
"Men moest eerst iets kunnen bewijzen," hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. "Intusschen dank ik UEd. voor 't bericht."
Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij vonden Joan reeds vertrokken.--"Mag ik nu weten," zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, "waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?"
"Hoe dan," vroeg Spinola; "is die jongeling dan uw neef niet?"
"Zoomin als UEd.," antwoordde Velasco: "het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven."
"Mijn doel is niet naar wensch gelukt," zeide Eugenio: "Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild."
"Santa Maria!" riep Velasco: "dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk de hand bieden?"
"Is dit de handelwijze eens geestelijken?" vroeg Spinola met afgrijzen.
"Waarom niet?" antwoordde Eugenio met koelheid: "elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen."
"Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed," zeide Spinola.
"Wat hoor ik!" zeide Eugenio: "zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?--en dat in mij, die tegen alle ketters den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is 't u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?"
"Ook de voldoening van personeelen wrok?" vroeg de Generaal.
"De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in 't werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn."
"De leer der Kerk luidt: non occides," [51] zeide Spinola.
"Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!"
"Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?" vroeg de verontwaardigde Veldheer.
"Een sluikmoordenaar," antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, "is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd."
"Laat ons," zeide Pekkius, "een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld."
Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in 't gesprek.
Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.
"Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn," zeide Eugenio: "ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn plan te beoordeelen."
Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet behoeven te vermelden.