Ons afscheit was, hy zou
Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.
Vondel, Gysbrecht van Aemstel.
Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.
"Ik verlangde reeds u te zien, Pater!" zeide Mom: "om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen."
"En ik," zeide Eugenio, "ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten komen."
"Hoe! gij wist dan reeds?...."
"Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen."
"Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene."
"En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?" vroeg Eugenio: "betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend en voedsterbroeder?"
"Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan." antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.
"Alzoo een medevrijer!"
"Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de zaak verkorven."
"Laat die zorg aan mij over," hernam de Jezuïet: "eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen."
"Ja, doch er is nog een maar...."
"Wat de bezittingen des Barons betreft?--nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader in quaestie, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman."
"Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te laten besturen."
"Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste," zeide Eugenio, zich buigende.
"Ik erken die goedheid dankbaar," herman de Ambtman: "gij kent dan dien schoonvader?"
"Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in conferentie geweest."
"Hij is hier!" riep de Ambtman: "en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen."
"Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders."
"Hoe!" riep Mom, opvliegende: "wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit."
"Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen," zeide Eugenio met veel koelheid: "ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt."
"Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?"
"Hij heeft hun gisteren zijn Credentialen getoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken."
"Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren."
"Zijn invloed!" herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: "die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken."
"En," vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: "hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?"
"Groenhof?--O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, 't welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken."
"Waarlijk," zeide Mom met een schamperen lach: "ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt."
"Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard," vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: "waarlijk, ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware."
"Nu genoeg van hem.--En Stoutenburg?"
"Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo 't echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op 't krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden."
"Een stout voornemen!--En de Wederdoopers?"
"Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.--Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, Leendertz en Groenhof te laten opwinden."
"En gij zelf?"
"Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, dat de Aartshertog overleden is."
"Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?"
"Ik," antwoordde de Jezuïet: "ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.--Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder 't een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat."
"Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken."
"Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?--Vrees niets, eer 't jaar een dag ouder is, zal deze u een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen vijandschap geraken moeten."
"Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert: divide et impera [46]. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?"
"Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!--Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak," voegde hij er grijnzend bij.
"Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan," zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke uitdrukking bespeurende, welke Eugenio's trekken aannamen: "doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan," voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.
Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.
In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, 't welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, 't welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden blik in 't rond.
"Wel kijk!" zeide Bouke: "geen jager zoo vroeg in 't veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?"
"Laat mij gaan," zeide Joan: "laat mij gaan Bouke! ik heb haast."
"Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt," hernam de oude dienaar: "'t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden."
"Ik moet alleen uit, beste vriend," zeide Joan, zich los willende maken.
"Kom!" zeide Bouke: "met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag."
"En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken."
"Dat weet ik," zeide Bouke: "denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in 't schild voert? Men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd is."
"Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen."
"Dat begrijp ik heel wel," hernam de onverzettelijke Bouke: "maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij 't laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan."
"Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken."
"Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak."
"Als het dan zoo wezen moet, ga dan in 's Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je terstond weder terug."
"Dat 's afgesproken!" riep Bouke verheugd: "en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar moet er een achter de deur staan."
Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, en die, 's winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest gekomen zijn.
"Hij moet reeds binnen zijn," zeide Joan tot zijn metgezel: "en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken."
"Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben," antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.
"Niet alzoo, Bouke!" zeide Joan: "wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb."
"Daar staat die lange slungel al aan 't einde van de laan," zeide Bouke zachtjes: "ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier." Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, toen deze hem, bij 't afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.
"Wat heeft dit te beduiden?" vroeg Joan, verbaasd terugtredende: "ik dacht hier...."'
"Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden," zeide de Jezuïet: "en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, het bloed van uwen naaste te plengen."
"Ik had zeker moeten begrijpen," hervatte Joan: "dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.--Doch, waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst." Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.
"Gij misduidt mij, jongeling!" zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, "als geestelijke kom ik hier, om woorden van vrede tot u te spreken."
"Woorden van vrede!" herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: "gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn welverdiende straf zal laten ontgaan."
"Ik vrees," hernam de zoon van Lojola, "dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen."
"Waarom dan is hij zelf niet gekomen" vroeg Joan: "hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen, dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten." Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.
"Een oogenblik, jongeling!" zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: "ons gesprek is nog niet afgeloopen."
"Hebt gij mij niet verstaan?" vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.
"Zeer wel," hernam de Pater: "maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een ellendige dronkenmanskibbelarij."
"Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen," zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, "of gij hadt er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?"
"Ik weet dit alles," zeide Eugenio: "doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort."
"Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze," hernam de jongeling: "maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde."
"Ik ben geen casuïst," zeide Eugenio: "en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste te ontblooten."
"Gij zijt dus een geestelijke?" hernam Joan: "doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen heb gezien."
"Ik behoor tot de eenige ware Kerk," zeide de Jezuïet.
"Dat zeggen alle geestelijken," hernam Joan: "doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag."
"Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan," zeide Eugenio, met een ernstigen blik.
"Mijn vader!" riep Joan: "Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?"
"Wie spreekt van dien moordenaar?" vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken zouden: "ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?"
"Mijn God! kent gij hem?" vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.
"Hij was mijn vriend," zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.
"Hij was!.... hij is dan niet meer?" vroeg Joan, de armen latende vallen.
"In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord."
"Velasco mijn vader!" riep Joan: "en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet."
"De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht," hernam de Jezuïet, "laat somtijds den leeuwenwelp in 't leven en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal."
"O God!" riep Joan, de handen wringende; "zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel...."
"Uws vaders moordenaar.--Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen."
"Neen!" zeide Joan: "de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk."
"Lees de geschiedenissen van zijn tijd," zeide Eugenio met koelheid: "daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht," voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, "dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt."
"Mensch!" riep Joan radeloos uit: "martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze."
"Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd," hernam Eugenio: "even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen."
"Ik weet niet," zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: "ik weet niet wat gij bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen."
"Ik leg u geen plicht op," zeide de Jezuïet: "ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak uw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan 's vaders laatsten wensch niet wil voldoen."
"Kan ik," vroeg Joan, "mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?"
"Gij stelt het vraagpunt verkeerd," zeide Eugenio: "vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?--dan zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen."
"Een oogenblik!" riep Joan, hem met drift terughoudende: "tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?"
"Welke waarborgen?" herhaalde de Jezuïet: "dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden."
"Zóó laat ik u niet gaan," zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: "gij zijt mij meerdere opheldering schuldig."
"Tot uw dienst," hervatte Eugenio: "doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker."
"Ik sta voor uw leven in," zeide Joan haastig: "doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd te erkennen?"
"Vraag hem dit zelf," antwoordde de Jezuïet: "hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen."
"Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?"
"Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik vervullen moest."
"En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?"
"Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd," antwoordde Eugenio met hoogheid: "en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe."
"Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?"
"In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht."
Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:
"En mijn moeder?"
"In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden," antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard aantuimelen.
Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het onderhoud voorviel, in 't boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld hebben, met kracht aan te grijpen. "Ja," riep hij, "loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!" Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om 't lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl hij hem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.--Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.
"Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?" vroeg de jongeling, "wat is dit voor een razende dolheid?"
"Laat mij begaan, Jonker!" brulde Bouke: "dood bloed geen nood doet!"
"Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt," zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: "deze man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars."
"Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!" galmde Bouke: "Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood."
"Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan," zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.
"Dat heb ik," zeide Joan: "doch maak u weg, eer 't te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden."
"Ha! daar komt versterking," riep Bouke: "Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!--Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!"
"Wat is hier te doen?" vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.
"Wat gebeurt er?" riep hij, met spoed aan komende loopen.
"Een zonderling geval, Mijnheer!" antwoordde Eugenio: "die kerel valt mij op 't onverwachtst met een mes op 't lijf, zonder dat ik hem in 't minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is."
"Kent UEd. hem niet?" riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: "het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!"
"Wat Jezuïet? wat Panne?" vroeg Eugenio, met een glimlach: "de vent is razend."
"Waarlijk!" zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: "ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!"
"Ben ik het?" hernam de Jezuïet: "weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend baldadig hadt vermoord."
Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord van Velasco sloeg. Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar was.
"Welnu schelm!" zeide de Baron: "zoo gij het zelf bekent, geef u dan over."
"Dat niet," hernam Eugenio, "zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!" Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden blik op Joan.
"Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!" riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: "hij was de vriend mijns vaders."
"Joan, ga ter zijde!" riep de Baron: "zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat."
"Wie hij zijn moge," zeide Joan: "ik heb voor zijn veiligheid ingestaan."
"Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?" vroeg Reede met verwoedheid: "om 't even! geef u over schurk van een Jezuïet!"
Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover en van 't paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: "want," zeide de Baron: "de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven."--Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.--Op het zien dier menigte staakte Eugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.
En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.
"Welnu, Joan!" zeide Reede: "uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?"
"Heer Baron!...." zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, in 't heengaan, een doordringenden blik op hem. "Denk aan uw eed," zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.
De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.