De Pleegzoon · J. van Lennep

Chapter 20: Twingtigste Hoofdstuk

Menigh wil by dranck en spijs
Wesen wijs,
Schoon hy is van wijn beschonken,
Daar doch yeder kan bespiën,
Dat dees liên
Sijn van sotte grillen droncken.

Pers.

Inmiddels waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in 't veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.

"Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig," zeide Reede: "en daarenboven! mag een vriend niet altijd een vriend medebrengen?"

"Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen," zeide Mom tegen zijn gastheer: "want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, dan op dien van uw vriend."

"Zoo!" zeide Reede: "ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!" en hij begon hartelijk over zijn geestigheid te lachen.

"Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!" antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: "en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf."

"En waarom niet, Heer Ambtman?" vroeg de Baron op een gulhartigen toon: "gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag."

"Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is nog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor 't minst onverschillig te zijn."

"Mijn dochter meent gij?--Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen."

"Is UEd. wel zeker," vroeg Mom, zijn woorden wegende, "dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?"

"Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan."

"Dat zegt juist niet veel," merkte Botbergen lachende aan. "In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe."

"Zeer juist! zeer juist!" zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: "alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?--Ulrica moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen."

"Zij is lang in Den Haag geweest," zeide Mom, het hoofd schuddende.

"Daarover kunt gij u toch niet beklagen," hernam Reede: "daar hebt gij haar het eerst leeren kennen."

"Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker...."

"Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid," vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende; "doch die is van geheel anderen aard."

"Een zwarigheid!" herhaalde Mom, van kleur veranderende: "ik bid u!...."

"Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden," zeide Reede op den deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: "ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten."

"De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen," zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam volgde: "hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht."

"Des te beter," zeide Mom: "des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan."

De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigden gevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen.

Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; 't geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.

De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan 't eten: de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade, in 't kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in 't geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.

"Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!" zeide Reede: "hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?"

"Het gastereeren deugt mij niet,"' zeide Mom: "ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te behouden, om den kegel niet mis te raken," voegde hij er glimlachend bij.

"Ei! ei!" zeide de Jonker van Scherpenzeel: "dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou slecht gelijk staan!--doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is 't niet zoo?"

"Ik beken," zeide Mom, "dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet."

"En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is," riep de Heer van Helmenhorst: "lang moge zij leven! lang!" vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: "lang leve de schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!"

"Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!" riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed.

Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!" zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: "en moge zij nog vaak de eer gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren."

"Mits niet in dit vertrek," zeide Botbergen.

"En waarom hier niet?" vroeg Reede met een verwonderd gelaat. "Staat u deze zaal niet aan?"

"De zaal is prachtig en geriefelijk," antwoordde Elbert: "maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche."

"Wel gevonden!" zeide de Heer van Lievendaal: "Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch."

"En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen," hervatte de Gelderschman: "maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft."

"Er is toch meer van die soort in mijn kelder," zeide de Baron: "Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?"

"Hij is zooeven uit de kamer geroepen," antwoordde een der dienaars: "er was iemand beneden om hem te spreken."

"Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer gezien dan één van ons allen."

"Zoover ben ik niet geweest," zeide Elbert: "mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen."

"In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?" vroeg Reede.

"Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug."

"En hebt gij," vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: "hebt gij den Jonker van Craeihorst gekend?"

"Gekend?" herhaalde Botbergen: "ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!"

De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd.

"Wel!" vervolgde Elbert: "Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche dobbelaar...."

"Onmogelijk," riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver.

"Ja! ja! loop maar, Veltman!" zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op geschilderd stond. "Mijnheer!" vervolgde hij: "bodenbrood! daar is een oude kennis...."

"Zwijg Bouke!" zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst."

"Kende UEd. hem?" vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: "vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten."

"Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!" zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord.

"Wie spreekt daar?" vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond.

"Dat ben ik, met uw verlof," zeide Bouke: "en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen."

"Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: "denk wie gij zijt en waar gij zijt!"

"Zoo doe ik," antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: "ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar sta, die...."

"Vlegel!" riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: "denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part had gezegd van 't geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!"

"Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?" vroeg Bouke.

Botbergen zag beangst in 't rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: "hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen."

"Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal," zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.

"Mijnheer van Botbergen!" zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: "ik kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op 't aangezicht aan stukken geslagen!"

"Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!" zeide Mom: "zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen."

Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.--In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur wijd openzettende: "Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb."

Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg klappertandend een bevende hand aan 't gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien.

"Joan!" riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. "Joan!" herhaalde hij: "ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u."

"Dat heb ik van Bouke vernomen," antwoordde Joan: "wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?"

"Wat! Kent gij hem niet eens?" vroeg de Baron verbaasd: "hoe hangt dit samen?"

"Nu, Mijnheer!" zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten bleef: "wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?"

"Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?" vroeg Joan met bevreemding. "In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een anderen naam."

"Wat zal ik u zeggen, Jonker!" antwoordde Elbert, zich door een grap zoekende te redden: "Wij droegen geen van beiden onzen waren naam."

"'t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet," hernam Joan met fierheid, "hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap...."

"Van die rottingslagen, meent gij?" vroeg Botbergen, opstaande: "ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen."

"Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk," zeide Joan, de hand aam 't geweer slaande.

"De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen," vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende.

Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn stuk te brengen: "heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?"

Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken.

"Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?'" vroeg hij, opstaande en Joans beide handen vattende: "wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!" Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. "Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord, dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze."

Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen en fluisterde hem bij die gelegenheid in 't oor: "hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen."--En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. "Mijn vriend!" zeide hij: "wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, is waarachtig geen knip voor den neus waard."--Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld.

"Kom, Elbert!" vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: "gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt gij t' avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval."

"Pots honderd tausent slapferment!" zeide Botbergen, den roemer aannemende: "mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;--dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen."--Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten.

"Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen," zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: "wat den Heer van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten."--Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats.

Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten. Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.

De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan 't praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.

"Hoe is 't Joan?" zeide de Baron: "zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op 't plein gelegen."

"Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal," zeide Joan: "ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk."

"Nu, ga maar, ga maar," zeide de Baron, knorrig: "lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm bloed meer heeft!"--Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijn poincten of verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.

Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.

"Hij was goed gemeend!" zeide een der spelers.

"De baan is niet glad genoeg," antwoordde Lievendaal: "anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen."

Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler den bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.

"Dat is ongelukkig!" riep hij uit: "wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest."

Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder 't werpen, en de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor 't spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.

"Wat satan is dat!" schreeuwde hij hoogst ontevreden: "Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?"

"De baan is al gelijk!" antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: "Ik kan niet helpen, dat UEd. scheef gooit."

"Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen," zeide de Jonker van Scherpenzeel.

"Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds," zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten 't spel. Met ongelijk gevolg speelden diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.

Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo 't heette, ongelukkig speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de Ambtman weder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch 't geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.

"Vriend Mom!" zeide hij: "Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten."

"Heer Baron!" zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak onder een vriendelijken glimlach verbergende: "uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren."

"Juist! juist, Heer Ambtman!" antwoordde Reede: "gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.--Ik moet, om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.--Mijn overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!"

"Zoo vet," zeide Mom, "dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen."

"Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... "

"Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?"'

"Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.--Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel werd opgeleid.--Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af."

"Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben," merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid nog niet van inzag.

"Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer," vervolgde de Baron, "dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior."

"Zoo" riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een belangrijker gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd."

"Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven."

"En dat was?" vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.

"Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door 't land reisde, samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan."

"Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden," zeide Mom.

"Neen, dat niet," zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: "hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken."

"Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was," zeide Mom: "noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn."

"Ziet gij dat niet?" vroeg Reede: "hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals 't hoorde."

"Vindt gij?" vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: "al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen."

"Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is," zeide Reede: "maar, naar mijn inzien, kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.--Mijn vader stierf—ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom."

"En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?" vroeg Mom.

"Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen."

"Die vrek!" zeide Mom: "hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn."

"Geen woord daarvan!" hernam de Baron: "wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.--Dan, nu is er nog iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:--en toch, ik had zoo lichtvaardig niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?"

"Hoe laat hij zich noemen?" vroeg Mom.

"De Paapschen noemen hem vader Ambrosius," antwoordde Reede: "doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn zoovelen van dien naam."

"Wij zullen zien," zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: "misschien is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben in te brengen."

"Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?" vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat verspreidde. "Gij blijft de hand mijner dochter vragen?"

"Heer Baron," zeide Mom: "uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen."

"Bedenk u wel," zeide de Baron: "Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!...." Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.

"Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer," hernam Mom.

"Heel wel! dat zijn jongelui's betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat."

"Ik ben geen knaap meer," zeide Mom "die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw naar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn hulde brenge."

"Zeer gaarne," zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: "en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.--Nu! kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in."

Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.