Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,
Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,
En schilderde averechts met een verward penseel
Gemengde vormen en de deelen voor 't geheel.
Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen
En in een werktuig, naar den eisch van 't ligt, begrepen,
In eene donkere zaal, op 't wit paneel der want
Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.
Antonides.
Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekens dubbel om 't lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.
Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip ontwaakte.
Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.
Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.
Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.
Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van haar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in 't kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.
Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.
"Zoodat gij u, over 't geheel, beter bevindt dan laatst," zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige vrouw.
"Ongelijk beter, Freule!" was het antwoord: "en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen."
"Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!" zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, "dat wij oe nooit zullen kunnen vergelden."
"Spreek daar niet van," hernam de Freule, "voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken."
"Neen, Freule!" zeide Gheryt met warmte: "het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: 't is voor oe vriendelijkheid, om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; 't is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en helpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: 't is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is."
"Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?" vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: "dat heb ik nooit geweten."
"Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier."
"Feurich!" herhaalde Ulrica: "o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in 't bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?"
"Jaô, lieve Freule!" gaf deze ten antwoord: "en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder."
Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke veder gedroomd had.
"En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?" vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.
"Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent," zeide Gheryt: "toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft."
"Jaô," zeide de oude vrouw: "Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet ehad als een blok aan 't been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen alleen laôten zitten."
"Zoo ik moeder had laôten zitten," hernam Gheryt, "dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan 't geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft."
"Kom! kom!" zeide de oude vrouw: "ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo'n braôven zoon als mijn Gheryt."
"Wel, moeder!" hervatte Gheryt: "oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo'n lomperd van een zoon maôken?"
"Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft," zei de moeder: "wat denkt er de Freule van?"
"Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken," antwoordde de Freule: "maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen."
"Nu, die tijd is misschien zoover niet af," hernam de oude vrouw: "ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren."
"Amen!" zeide de Freule zuchtende.
"Draagt gij die kleeren 's Zondags, Gheryt?" vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.
"Die kleeren daôr?--neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke te snorken."
"Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt," zeide de Freule: "kom, Magdalena!"
"Tot uw dienst, Freule!" zeide deze: "het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die Mijnheer van morgen verwacht."
"Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!" zeide de jonkvrouw: "er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat als gij."
"Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd," hervatte Magdalena: "maar," voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, en zuchtte: "voor wie?"
"Gaôt gij al heen, Freule?" vroeg Gheryt: "en dat zonder mijn verken te zien!"
"Uw varken!" zeide Ulrica lachende: "mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig ben."
"Jaô maôr, Freule!" hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: "ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen oogen van ewagen kunnen;--want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?...."
"Ik begrijp er niets van," hernam Ulrica: "of gij moest verlangen het mij te verkoopen?"
"Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld."
"Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch waarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige."
"O!" vervolgde Gheryt: "ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat....."
"Op een anderen tijd, Gheryt!" zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. "Ja, Freule:" zeide Magdalena, het in de hand nemende: "dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware."
De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.
"Mijn hemel, Freule!" zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: "wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?"
"'t Is niets, Leentje! 't is niets!" antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena's arm leunende: "'t gaat alweder over: 't was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen....." en zij berstte in tranen uit.
"Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt," merkte de deftige kamenier aan: "maar niet dat men in tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer goed naar boven."
"Ik ben kinderachtig," zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: "ik ben kinderachtig: doch waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan."
"Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?" vroeg Magdalena.
"O neen! voor geen geld van de wereld," zeide Ulrica haastig: "ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn."
"Was het ook," zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder scheen: "was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet...."
"Ja, Leentje!" antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande: "het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij opgevoed is.... die...."
"Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden."
"Dezelfde!--Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren...."
"UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen," zeide Magdalena: "het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is."
"Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?"
"Ik weet niet, Freule!" merkte de kamenier met nadruk aan: "of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!"
"En ik weet niet," hervatte Ulrica op een scherpen toon, "met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren."
"Verschoon mij, Freule!" zeide Magdalena: "ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde liefde."
"En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?" vroeg Ulrica.
"Wie?--de gansche wereld."
"Zoo!--ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat."
Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij 't uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.
"Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?" vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengen op het punt waar zij gebleven waren, "is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?"
"Men zegt zoo."
"Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen."--Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen toon:
"De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden uit het leger gekomen."
"Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is."
Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. "Verbeeld u, Freule!" ging zij voort: "dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen."
"Magdalena!" zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: "gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden."
"Verschoon mij, Freule!" hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: "verschoon mijn dwaasheid van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien."
Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, 't zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, 't zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of zelfs verlangd had.
Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met zijn fidus Achates, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.
"Is 't mogelijk?" riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: "kan 't zijn, dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?"
"Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw ontvangst in gereedheid te brengen."
"Ik voel dien zet," zeide de Ambtman met een buiging: "Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!"....
"In 's Hemels naam, Heer Ambtman," zeide Ulrica lachende: "laat ons geen euphuïsme beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten."
"Gewis!" zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog onbekend was: "al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!" riep hij uit, Magdalena herkennend: "Wie is daar?"
"Wat rammelt gij toch, Botbergen?" vroeg Mom: "merkt gij niet wie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van 't Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend."
"Dat is zijn beste aanbeveling," zeide Ulrica, onder 't voortgaan een hoofdbuiging makende.
"Ik verzoek verschooning in dit geval," zeide Botbergen, "dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn."
"Zijt gij dol, Elbert?" riepde Ambtman wrevelig uit: "is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil."
"De weg is vrij," zeide Ulrica: "doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen."
"Is er een genoegen," zeide Mom, terwijl hij afsteeg, "dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?" Dit zeggende, gaf hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van 't aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk de hand.
"Ik verzoek nogmaals om verschooning," zeide hij, "indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is."
"Ik wist niet," zeide Ulrica, "dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel."
"UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig is."
"Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan."
"De Freule heeft wel deugdelijk gelijk," riep Botbergen uit, "de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.
Dus eenigh
Alleenigh
Te zijn
Is pijn.
Dus laat ons beyd.
O soete meyd!
Versamen eens in vrolickheyd.
en 't geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven."
"Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?" vroeg Mom, "gij, die nooit in kerk of kapel komt!"
"Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich," antwoordde Elbert met inzicht; "ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet."
"Dan begrijp ik," zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, "dat het met de ware religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen."
"Magdalena!" zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in 't gesprek mengde: "het wordt u immers niet gevraagd!"
"Foei! foei! mijn waarde Freule!" riep Elbert: "frons dat lieve voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!"
"En waarom moet ik zuur aangezien worden?" vroeg Mom, bevreemd opziende: "ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien bevalligen mond zoude geven."
"Wel!" zeide Botbergen, "omdat
Ziet u een maeght
Wat toornig an,
Als gij haar vraegt,
Denk dan, goê man!
Dat g'haar behaegt:
Hoe zuurder dat een meisje kijkt,
Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt."
"Ik moet bekennen, Mijnheer!" zeide Ulrica, glimlachende, "dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de eene of andere Rederijkerskamer?"
"Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in 't vak van liedekens weet, heb ik in 't leger geleerd. Doch ik zing nooit recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat...."
"Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!" viel de Ambtman in: "daar komt ge nooit tot uw eer af."
"UEd. heeft dan in 't leger gediend?" vroeg de Freule.
"Dat heb ik," antwoordde Botbergen: "bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof."
"Zijnde zijn grootste lof en glorie," merkte Mom aan, "dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug heeft gebracht in het vaderland."
"Waarlijk iets ongewoons," zeide Ulrica: "en wie was die gelukkige?"
"Zijn degen, Freule!" antwoordde de Ambtman.
"Pots honderd tausent slapferment!" riep Botbergen, de hand aan 't gevest slaande: "indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en...."
"En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?" vroeg Mom lachende.
"En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen," vervolgde Botbergen, "gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in 't leger...."
"Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!" zeide Ulrica.
"Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn," zeide Botbergen, op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.
"En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?" vroeg Mom. "Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan 't spit of hem als een os den hals afgestoken?"
"Neen!" antwoordde de snorker: "neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van 't staal sprak: mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst."
"En hoe heette die windmaker?" vroeg Mom.
"Hij droeg een naam," antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: "waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst."
"Jonker Joan van Craeihorst!" herhaalde Ulrica, verbleekende.
"Is hij UEd. bekend?" vroeg Botbergen haastig, "dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben."
"Onvoorzichtige!" riep Mom, een ontevreden houding aannemende: "die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze waardige Freule!"
"Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!" zeide Elbert: "had ik dat kunnen denken, ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, ik was verre van te denken...."
"Indien het een onbedachtzaamheid was," zeide Ulrica, "waarom zou ik die dan niet vergeven?"
"UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?" vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld geslagen.
Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. "Mijnheer!" zeide zij tot den Gelderschman: "ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit—en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon te wreken."
"Hoe Freule!" riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. "Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren, 't welk bezijden de waarheid was." Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: "ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen."
Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in 't werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.
"Kom! kom! Elbert," zeide hij: "gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt."
"Maar pots tausent!" riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon te raden: "ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde."
"Geen woord meer over de gansche geschiedenis," zeide Mom, op een gebiedenden toon: "ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht," vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen toon: "Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;--want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit een oude gewoonte:--ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven kleven."
"Gij zult mij vermaak doen," zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; "doch wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten."
Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.
De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van Elbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan 't hoofd, bezig waren aan 't versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.
"O! zijt gij het Bouke!" riep Ulrica: "u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven."
"Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd," zeide Bouke: "wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en dag heugen zal."
"St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, zelf gedaan."
"Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? 't kan niet wezen."
"Ik ken uw jonker niet," zeide Magdalena: "maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren."
"Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?" vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: "het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.--Wat hamer Sijmen!" riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: "nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je komen, als je 't niet beter weet!--nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet op den rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer." Met deze woorden keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.