De Pleegzoon · J. van Lennep

Chapter 16: Hoofdstuk 16

Der papen kist is leegh.
Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.

Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:
Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.

Vondel.

Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.

"Ik weet niet," zeide de een, "of het door de spiegeling der zon in 't water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen."

Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk in 't zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van 't Land tusschen Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.

"Het is zeker onaangenaam," zeide hij, "te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt."

"Kom! kom!" hernam degene die eerst gesproken had: "zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe."

"Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!" zeide Mom.

"Neen," hervatte deze, "maar wat helpt deze, wanneer...."

"Zoo meen ik het niet," viel hem de Ambtman in de rede:--"men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft."

"Was zum henker!" riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, "indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging zeide."

"Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander," zeide deze: "nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik."

"Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een "God loone u" zal zien betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt."

"Dwaas!" zeide Mom: "juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel zet;--echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?"

"Gij hebt scherper gezicht dan ik," antwoordde Botbergen: "mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden te onderkennen."

"'t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand een vriend te deren."

"Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen," antwoordde Botbergen, de borst opzettende: "doch ik denk er niet op te antwoorden."

"Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?"

"Ja!" zeide Botbergen: "hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.

"Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit," zeide Mom, oprijzende. "Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten."

"Foei!" zeide Botbergen: "zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren."

"Dat ware het minste," antwoordde Mom: "doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van."

"Dan zult ge u zeker moeten haasten."

"Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt."

"Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?"

"Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn" antwoordde Mom: "hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken."

"Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden."

"De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.--Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, 't welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven te legateeren."

"Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel."

"Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?" zeide Mom, spottende.

"Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat blijft onder ons."

"Natuurlijk!" zeide Mom: "ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in 't aangezicht logenstrafte!.... doch dat is om 't even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?"

"Ongetwijfeld," antwoordde Botbergen: "en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten."

"Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald...."

"Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren," zeide Botbergen: "een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij."

Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.

"Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?"--was de vraag, welke hem de Ambtman deed.

De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.

"En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?"

De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.

"Zou men niet zeggen," merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: "dat diezelfde Klaas Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt te worden."

"Dat geloof ik wel," zeide Botbergen: "daar de Ambtman van Maas en Waal in 't geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden."

"Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja—op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?"

"UEd. wordt al te scherp," zeide Botbergen: "indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen."

Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker toon aan. "Nu, Elbert," zeide hij: "maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen."

Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.

"Is hij van die wij verwachten?" vroeg Mom.

"Hij weet het wachtwoord," antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.

"Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen."

De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.

"Wat dralen zij nu?" riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. "Elbert! ga eens zien waar zij blijven."--Botbergen opende de deur.

"Pax vobiscum!" [37] zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.

"Wie duivel?" riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.

"Eilaas! Sint-Jan is dood," zeide de onbekende, zacht.

"Maar alle hoop nog niet ontvlood," antwoordde Mom op denzelfden toon. "Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?"

"Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?" vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.

"Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang," antwoordde de Ambtman: "kort en goed, wie zijt gij?"

"Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn vertrouweling, zijn biechtheer."

"Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan," hervatte Mom: "neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?--Meinertz!"

"Meinertz is uitgegaan," zeide de biechtvader: "ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer u inmiddels niet over mij. Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit." [38]

"Ja maar!" zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: "als nu Preys en Leendertz komen...."

"Die zullen vooreerst niet komen," hernam de geestelijke heer: "die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, 't welk ik met Zijne Edelheid hebben moet."

Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.

"Mij dunkt," zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: "dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans geen geheimen...."

"Maar ik wel," zeide de onbekende, "ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al," (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) "ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken."

"Nu ga dan, Botbergen!" zeide Mom, "en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen."

Botbergen gehoorzaamde. "Waar blijft nu," dacht hij bij zich zelven: "onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van 't gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen."

"Zal ik," zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: "thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek verschaffen?"

"Mij dunkt," antwoordde de Monnik: "dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen."

"Ik heb u slechts ééne vraag te doen," zeide Mom, "brengt gij geld mede?"

"De kinderen der Heilige Kerk," antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, "zijn niet gewoon, zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: "nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris." [39]

"Dan behoef ik u niet langer aan te hooren," zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.

"UEd. spot er mede," hervatte de vreemdeling: "maar...."

"Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog," zeide de Ambtman, willende heengaan.

"Sta! gij dwaas!" zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: "gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?"

"Dreigt gij mij?" vroeg Mom, toornig: "keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag ouder is."

"Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?" vroeg de Monnik, lachende: "dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?" voegde hij er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.

"Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens," zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.

"Niet?--En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?--Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op 't hoofd weder huiswaarts te keeren, of--'t geen nog erger zou wezen—om de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken."

Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:

"Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist—of hoe zal ik het noemen, 't geen tusschen ons voorviel?--vergeten, en woorden van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?"

"Ik ben het niet, die haar verlaat," antwoordde Mom: "het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?"

"Het zal hier geld en ambten regenen," zeide Eugenio, "als maar eerst de zaak haar beslag heeft."

"Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken," zeide Mom, met bitterheid: "Is het zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig."

"Daar is misschien wat van aan," antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; "doch weet ge wat de voornaamste reden is, waarom men u thans geen geld zendt?--Men vertrouwt u maar half."

Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: "nu geloof ik, Pater!" zeide hij, "dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt."

"Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen heeft.--Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen."

"En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en voorschotten doe ik niet."

"UEd. heeft volmaakt gelijk," hernam de zoon van Lojola; "doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?"

Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.

"Welnu!" zeide de Jezuïet, "dit is meer dan een belofte, nietwaar?"

"Het is nog veel minder," antwoordde Mom, droogjes: "de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen."

"Wapens zullen u overvloedig verschaft worden," hervatte Eugenio: "daarvoor sta ik u borg."

"Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan," vervolgde Mom: "want alleen...."

"Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En," voegde hij er zacht en langzaam bij, "Graaf Hendrik Frederik...."

"Is toch niet op onze zijde?" vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.

"Dat juist niet," antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: "maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren."

"Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws," zeide Mom; "doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder...."

"Daarom juist kom ik hier," hervatte Eugenio: "Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,--ik zal ook in dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen mij voor het einde van 't Bestand in 's-Bosch en in 's-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.--Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan 't hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven."

Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, dat het voorstel aan te nemen. "In Gods naam," zeide hij, hem de hand toereikende: "de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw leiding over."

"Gij doet wel," zeide Eugenio: "en uw keuze zal u niet berouwen;--intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wie ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van 's-Hertogenbosch, en...."

Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.

"Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel," zeide hij, "die den Heer Mom verlangt te spreken."

"De kamenier van de Freule;" riep Mom verwonderd uit; "en hoe wist zij dat ik hier was?"

"Zij wist meer dan dat," antwoordde Botbergen: "want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest."

"Daar schuilt verraad onder," riep Mom; "doch wij zullen dadelijk...."

"Bedaar!" zeide de Jezuïet, hem terughoudende: "Magdalena is van de onzen!"

"Zij van de onzen?" herhaalde de Ambtman, verbaasd: "hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft." Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.

"Nu, als zij van de onzen is," hervatte Botbergen: "moet zij dan maar hier komen?"

"Ongetwijfeld," zeide Mom: "zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres."

"Die is althans niet van de onzen," zeide Elbert, meesmuilende: "als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?" Dit zeggende verliet hij het vertrek.

Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijn klanten telde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in 't bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.

"Goeden morgen, Magdalena!" sprak Mom, zoodra zij binnentrad. "Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw Heer?.... en de Freule?"

"Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!" antwoordde de kamenier. "De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen."

"Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij behoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En," vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, "vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen."

"Ik dank u," zeide de kamenier: "de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder loon." Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.

"Wat schort er aan? wat deert u?" riepen Mom en Botbergen, als uit één mond.

"Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?" vroeg Eugenio, vooruittredende.

"Neen!" antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: "mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar...."

"Een wachtwoord!" viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking stond. "En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?"

"Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!" antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: "omdat uw bedoelingen en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets," vervolgde zij, de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: "waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?" vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.

"Magdalena!" zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: "moeten wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet...."

"Vaarwel, Pater Eugenio!" herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.

"Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp," zeide Elbert, zooras zij weg was.

"Ik sta als versteend," zeide Mom: "zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?"

"Ik heet Van Dyk," zeide Eugenio koeltjes, "en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen."

"Juist," zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, "dat zijn twee vreemdelingen, die in den Gouden Ooievaar zoo straks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren."

"Alles loopt naar wensch," hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in 't oor: "De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder."

"Tot uw dienst Pater.... Van Dyk," zeide Botbergen en vertrok. "En wat moet er nu gedaan worden?" vroeg Mom, die zich, maar half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.

"Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.

"Ik heb van hem hooren spreken," zeide Mom; "maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning zou kunnen hebben."

"Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar," zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.