De Pleegzoon · J. van Lennep

Chapter 15: Hoofdstuk 15

Il dit fort posément ce dont on n'a que faire
Et court le grand galop quand il est à son fait.

Racine, Les plaideurs.

De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.--Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.

Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden vanéén zonder geluid te geven.

De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van zijn smaak in 't leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in 't eerst als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het vorderen der jaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.

De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder 't aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.--Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de jachtsprieten gladgewreven:--thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.

Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: "Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen." Wanneer echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot gevoerd werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.

Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker iets, een ick en weet niet wat, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen de welgeboren en welopgevoede vrouw.

In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder de pretendenten noemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van 't land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.

Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden op 't onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer; sed quantum mutatus ab illo [36]. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.

Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.

De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.

De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.

Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in 't vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, echter minder dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. "Bouke!" zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: "de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen."

Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.

Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in 't algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en in de noodige orde te verhalen:--terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand van het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.

Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle posten en bedieningen gestooten.

Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.

Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen gehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.

Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.