Timmerman.
Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen moeten onze kinders het hebben.
Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent, maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt, en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet niet wat meer scheldt.
Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog wel beter met onzen stand van menschen meen als jij.
Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt dat ik de rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu schreef ik duidelijk "acht met de kanarie mee." Dus dat is zeven Piet, en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1-1/2 cent in een heele week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z'n zevenen.
Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf in 't geheel niet als zoo'n bovenste willen ophemelen omdat ik rond kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er mee schuld van is dat wij 't, na venant, goed hebben, Goddank! Heb je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit, en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze 't laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past.
Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in 't bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie.
Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn, en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken er wel drie bij ons op 't hofje die ik met pleizier gemorgen en g'n avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer, en—zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien gulden in plaats van negen.
En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet, dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er met zoo'n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je niet door dien duivel strikken laat—want gelijk heb je, de drang is groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje!
Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te rekenen dat men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet wel dat ze in andere plaatsen van 't land nog van heel wat minder moeten rondscharrelen.--Ik heb met mijn domme verstand alleen maar willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.--Zou jij denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik begrijp dat er zoo zijn—al zijn de meesten wijzer—ik wou toch eens uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb ik gedaan, en ik heb er geen berouw van.
Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist omdat ik wou dat allen het beter kregen, of—zoo goed hadden als ik.
Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet wat ik ben. Jans kan het getuigen.
En nu zeg ik in 't geheel niet dat onze stand maar moet blijven zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat meer verdienen als 't wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in de gerechtigheid vooruit!--Heb ik niet gezegd dat de groote lui best betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven?
Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij 't oude wou laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men, zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit den drang van 't hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde weg is, om tot beter te komen.
Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar zie je, waar jij in 't eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan 't werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel—die familie in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt—dan moesten er maar een boel naar zoo'n land over zee trekken, en als zij het daar goed konden hebben—ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met een woord van waarheid betuigde—ik zeg als zij het daar goed konden hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet, ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid!
En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden, en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder verdere kriewel of nietsigheid uw vriend:
Jan Stukadoor.
Leve de Neerlandsche jongens!