De lelie van 's-Gravenhage · Jacobus Jan Cremer

Chapter 36: Fabriekskinderen

Een bede, maar niet om geld.

't Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.

Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.

Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.

Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en 't schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,--evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.

Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij 't zou willen.

De arme is krank!

Ja, 't hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.

Luister:

Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in 't einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.

Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan 's vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek hem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.

Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?

En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.

't Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.

Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.

Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor 't meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!

In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging. 't Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: "Snork toch zoo niet!" geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.

"Zes!" bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.

Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.

"Toe kinders, er uit!" roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.

Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. 't Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.

"Stil Sander, als vader het hoort!" vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.

Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.

Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.

"'t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!" mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zij van haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: "Hé--mondhouwen. Zeg!"

Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.

De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. 't Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.

Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: "Kom maar, 't is warm daarginder."

Sander kan 't niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet verder—weet je, hij wil niet!

En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in 't hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is 't erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.

Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.

Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.

"Leelijke rakker!" schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!

En waarheen zal het nu?

Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.

En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.

Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?

Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmende hitte.

Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.

Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: "Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!" En--'t snort en het dreunt en 't bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:

"Voort raderen, voort!"

Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.

Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.

Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, 't is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.

En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.

En die plokken of rolletjes wol,--zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.

Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.

Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:

"Voort, raderen, voort!"

Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gij gevoelt wel dat het raderen zijn,--toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.

Immers, in 't midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in 't volle licht te beter kunt zien.

Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op 't zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.

Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!

En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft- of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.

Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.

Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet.

En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor 't grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.--En 't was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor 't meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.

Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! 't was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:

"Voort raderen, voort!"

Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.

Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.

Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. 't Is er vroeg dag in zoo'n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.

Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder 't hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z'n eigen kast, in z'n eigen bed, daar zou 't nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.

Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan 't einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.

Wat waren zijn wangen koud!--Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo'n arme drommel!

Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. 't Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was het eerste, en 't bleef zoo.

Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în 't wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar 't hoofd dat ge de klaplooper zijt.

Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan 't zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo'n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo'n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.

"Wil j' is kijken?" fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouw wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.

"Kijken! wát zou ik kijken!" prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.

"Hoe vin je dat, hé?"

"Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?"

"Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met 'en stoep tot je kussen?"

"Lieve hemel, ikke!" roept de juffrouw: "Ik ben Goddank 'en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu'k gespuis van afkomstig is,"--en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,--"van 't repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu'k repalje!"

"Zoo, juffrouw Baks."

"Ja van volk, dat z'n eigen vader en moeder voor 'en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van 'en ouwer mensch 'en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; 't vuilmaken van je eigen boel en 't gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t' avond of morgen zoo'n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m'n man 'en maling schopt, omdat we z'n kind van 't febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z'n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama...."

"Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!"

Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.

"Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?"

"Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks."

Guns watte oogen!

"Koffie- of theewater mijnheer?"

"Chocolade-water, juffrouw Baks."

Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo'n vuil opraapsel 'en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.--Weet je, ze zou wel.... maar, d'r kamers, en 't lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!

En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.

Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige perceeltje op zijn kamer had, toen is 't hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. 't Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van 't lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo'n arme drommel!

't Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van 't ventje met de tang in de kachel wierp.

Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo'n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar 't is heel gauw gedaan; 't heeft niets te beduiden.

Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.

Een angstig geween roept eensklaps den jonker.

Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.

"Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!" zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: "Zeg, lust je een boterham?"

Dat laatste woord werkt machtig.--Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen.

Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van 't bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg, de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.

Nu Willem zoo'n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.

Maar, zoo zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, 't heet dan verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij, WIJ menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.

Ei zie dan, en luister nog even. 't Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.

"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.

"Ik? Wel neen!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: "Maar--áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"

"Ja wel," zegt Sander.

"Waarom?"

"Om ditte!" zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.

"Hadt je dat nooit geproefd?"

Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! "'k Docht eerst dat het mosterd was," zegt hij iets later.

"Mosterd?"

"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."

"Niets anders?"

"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da's gallig voor de kinders zeit moeder."

"Beesten!" roept Willem.

Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:

"En hoe heet je vader?"

"Dat weet ik niet," is het antwoord.

"Maar jij, hoe heet jij?"

"Sander Zwarte."

"En wat doet je vader?"

"Hé, hé," grinnikt de jongen, "moeder zeit zuipen."

"Maar wat is hij van zijn ambacht?"

"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.

"Waar verdient hij zijn centen mee?"

"Dat doen wellui."

"En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?"

"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."

Ongelooflijk! zoo'n worm! "Dus moet je zeker in de fabriek werken?" vraagt Willem opnieuw.

Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:

"Maar 'k had ook zoo'n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie."

"Kielhalen!" herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: "kielhalen, wat is dat?"

"Ja, dat weet ik niet," herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: "maar ze zeggen dat ie achter z'n bast 'en emmer met water hêt staan; en als nou 'en slecht kind—zoo zeit ie—z'n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie 'em even met het hoofd in den emmer: ten minste als 't opperste menheer van 't febriek d'r niet bij is; maar 't zal niet waar wezen; hé zoo koud!"

Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.

"En ga je ook school?" vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.

Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen 's menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.

Neen, naar school gaat hij niet.

Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag.

Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.

Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.

Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij 't wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: "'en dominee's-bedrieger."

Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.

En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.

En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.

En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.

Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:

Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!

Daar is geen vrije wil.

Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.

Daar is....

Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.

Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.

Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.

En dat eerste tafreel?

Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: 't is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, 't is Willem Van Hogenstad.

Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eener te voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.

Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig mensch!

't Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in 't nachtelijk zwart.

Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: "Dorst, dorst!"

Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij 't niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?

Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d'r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo'n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.

Maar nu, nú is 't weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.

En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo'n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.

En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!

En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!

En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.

Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.

Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.

Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.

In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het "niet mooi" hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13-14-15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.

En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: "Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die 't ons belet, en haar naam is: Concurrentie!"

Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?

Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zal MIJ beletten....

Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij 't dan niet hoe de Staat—en rechtvaardig,--der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!

Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!

Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.

Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die arme arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?

Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.

Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.--Zij zouden liegen!

Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.

Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje vergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,--zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.

Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.

Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

EEN WOORD AAN MIJN LANDGENOOTEN. [21]

't Was een prachtige zomeravond.

Aan 't eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.

"Gij moet mij helpen," sprak hij met warmte.

Ik zag hem vragend aan.--Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.

"Zou ik u helpen? Ik?"

"Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.

Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? 't Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men 't verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.

Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.

Hij begreep dat zwijgen.

"Je hebt kinderen, nietwaar?" hernam hij ernstig: "welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf."

De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.--Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.

En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12-15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij 't wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel [22], van Le Poole [23] en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling [24] inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.

Landgenooten! 't Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.

In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.

Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven!

Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?

Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?--Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.

Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij 't bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.

Nederlanders, 'k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, 't zij uit onwetendheid, 't zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den "novellendichter" wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.

Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in 't licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:

"Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid."

Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.

Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede 't bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.

"Wij zullen zien!" sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: "'t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden."

En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.

En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als "de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind", en om het "de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?" Hoort:

Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.

Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....

Stil! Weet gij 't niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?

"Mijn voorstel," zoo schrijft hij aan den Minister: "moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht," zoo gaat hij wat verder voort: "dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz."

get. A. A. C. De Vries Robbé.

Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu 't allereerst beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan 't licht gebracht.

Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?

Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is.

Maar wat dan?--Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?

Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.

En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?

Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling vreest, zijn onbewezen mogelijkheden!

Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?

Wat wij dan willen?

Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn. [25]

Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie--'t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk "verrotting brengt in den Staat."

Wij willen dat er een wet kome:

omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie "zijn bestaan in gevaar brengt"; [26]

omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven.

Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?

Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om 't verval langs den straatweg!--En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.

En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in 't eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in 't leven riep.

Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.

Nu zult gij 't weten waarom ik u schrijf.

Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, 't is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten 't zij in den volgenden of in een beteren vorm:

Sire!

"Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is
gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te
langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit
met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen
met Uwer Majesteits regeering een wet in 't leven te roepen,
die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie
beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een
behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.

Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.

Ik weet het, Landgenooten, waar 't een werk der liefde geldt, en mede in 't waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.

En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.

God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!

Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de fabrieken arbeiden. Ga ze zien!

En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.

Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.

Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.

OPENBARE BRIEF AAN ZIJNE EXCELLENTIE DEN MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.

1870.

Ick bidde U Indien Gij heden geen
gelegenen Tijt hebt om desen Epistel
te lesen, doet het Morgen; maer by
Uwe veele drockten, vergeet denselven
niet.

Excellentie!

In de hoop dat dit schrijven in 't belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!

Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester, [27] tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der "Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken".

Excellentie! 't Is U bekend: in 't jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.

Zij arbeidde zeven jaren.

Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.

En zij constateert dat.... zwart zwart is.

Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij een voorstel van wet gedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.

De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden

"Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals zij is."

Er verloopen vele dagen.--De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.

En toen?

Men wachtte op U, Excellentie.--Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveel jaren gewacht.

Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in 's lands vergaderzaal:

"Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?"

En uw antwoord klinkt:

"De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken."

Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:

Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening: Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.--Neen, zij is geen: "op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging". En bovendien, zou dan Uwe Exc., na 't ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad niet zonder cijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafde overtuiging te vragen aan—de openbare meening!

Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.--"Mannen van energie," zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: "zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie".

Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het "hooren en wederhooren" der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:

"Nederlanders, hoort ge 't wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult."

En de openbare meening heeft zich verklaard.

En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.

Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?

't Is zeer waarschijnlijk!--Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over 't algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:

Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma's op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in 't belang van arme kindertjes dat stuk aan den Koning zouden teekenen, wanneer men 't hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: "En wat is nu eigenlijk de zaak?" of, tastende in den zak: "En, hoeveel kost dat nu?"

Excellentie, de volksgeest wil verbetering van 't lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag: Vindt gij 't waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?

Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die 't feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,--misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van een werkkracht. 't Is niet anders.--Wij hebben 't vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.

Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.

Men heeft van vele zijden gesproken:

Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.

Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.

Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.

Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kon in 't einde niet zwijgen.

Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie kwam U in handen.

Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, 't welk artikels wijdde in 't belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: "O mochten eerlang....!" of: "Wij hopen van harte...!!"

Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennen allen dat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.

Ten 1ste. In 't vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen.

Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan 't werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.

Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.

Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.

Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men--òf slecht òf gebrekkig.

Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren gestreng kunnen handhaven?

Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.

Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?

Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.--De grootste voorstander van den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan, [28] dat juist in 't belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen, waar men 't kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.

Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan toch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het "aan banden leggen der vrije Industrie" mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.

Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd verdubbeld--'t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.

Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12-16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers 't is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!

Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8-13 jaren, voortaan bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan, wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, 't zij in hunne woningen 't zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-, kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.

Ten 5de. De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderen die in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.

Of is die man krankzinnig misschien!

Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.

Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.

En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor 't geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet er tegenover.

Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór- of doopnamen in 't leven riep.

Mijne bedoeling is deze:

De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.

Deze belasting—UExc. zal 't gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van f 200,000 aan 's Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. 't Ware een luxe-belasting in 't belang der armen.

"In 't belang der armen?" vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.

"In 't belang der armen!?"--UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:

Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.--Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.

Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in 't belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!--verdiensten ontneemt, dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door 't begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van 't aantal kinderen, 't welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.

Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,--ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.--Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in 't zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak der Nederlandsche Regeering.

Excellentie, de zaak "der gemartelde natuurgenootjes", is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan 't werk te slaan!?

"Vrijheid, vrijheid in Nederland!" roept men ons toe: "Vrijheid in ALLES!"--Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als 't u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in 't rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!

Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.

Immers, 't geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.--Ik weet dat UExc. het gevoelt: 't Geldt hier het leven van aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, 't welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.

Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in 't belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan 't werk slaat, ik bid U, vergeet dan toch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.

Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.

Met de meeste hoogachting teeken ik mij,

Uwer Excellentie's Dw. Dienaar:

J. J. Cremer.

En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren
later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de
fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.