De heer Slingervoet Ramondt heeft onder den bovenstaanden titel, "een verhaal uit de Betuwe" in 't licht gegeven, "ten voordeele van de noodlijdenden door de overstrooming, in de provincie Ferrara in Italië." In zijn woord vooraf verklaart hij, dat de zucht om die ongelukkigen nog wat meer te kunnen helpen dan hij 't reeds deed, hem tot schrijven heeft gedrongen: "C'était plus fort que moi," zegt de heer R.: "Ik schreef in de vrije uren die mijn beroepsbezigheden mij overlieten. Ik schreef haastig, omdat spoedige hulp noodig was." En iets verder: "Het is mijne bedoeling volstrekt niet, de toegevendheid van het publiek, de welwillendheid der recensenten in te roepen. Onverbiddelijk heb ik zelf vaak het produceeren van liefdadigheids-literatuur en liefdadigheids-kunst afgekeurd. Ik lever dan ook thans mijn werk over aan de gestrengste, onmeedoogendste critiek."
"En dat staat er werkelijk?" vroeg een hooggeëerde bezoekster, terwijl een trek van edele verontwaardiging haar schoon gewelfd voorhoofd kwam plooien: "Maar dat is spotternij! "Een schrijver, die zelf menigmaal de "liefdadigheidskunst onverbiddelijk heeft afgekeurd" roept de strengste, de onmeedoogendste critiek in, over een lettervrucht die hij schreef—let wel—in de vrije uren die zijn beroepsbezigheden hem overlieten,--alzoo vermoeid van den arbeid misschien—en, HAASTIG, omdat een spoedige hulp er noodig was!--Maar wie zoo schrijven kan, hij is.... hij verdient...."
"Bedaar, hooggeachte vriendin, en bedenk dat die schrijver toch het hart op de rechte plaats heeft: Door liefde gedrongen heeft hij gezongen, en in weerwil dat hij 't zoo druk had.--Ik bid u wees niet te gestreng?"
"Hij verlangt het. Geen de minste toegevendheid begeert hij. Hij moet wel zeer overtuigd zijn van de voortreffelijkheid zijner schepping. Zie maar, hij staat daar met het hoofd achterover, met de hand aan 't rapier."
"Mijn geëerde vriendin was nooit voorbarig. Neen, die schrijver staat daar niet met het hoofd in den nek of de hand aan den degen, ik heb u nog niet gezegd wat hij er spoedig op volgen laat. Luister: Hij wacht zijn vonnis. Hij is er van overtuigd dat er geen genade voor hem is. Hij wenscht slechts dat gij zijn vonnis niet al te spoedig zult vellen, "omdat anders het doel van zijn uitgave gemist zoude zijn."
"Het doel! Altijd dat doel! Kan er ooit een doel zijn, waaraan men de heilige Kunst mag ten offer brengen!" De Kunst eischt van hare priesters algeheele toewijding; althans geen onmogelijk-vluchtige, geen gejaagde, met een brok brood in den mond, met den lijmpot in de hand, en de bedelaars aan de deur.--Kunst en Philanthropie gaan dikwerf te zamen; maar familie zijn ze niet. Zal de Philanthropie—hoe edel haar karakter ook zij—nog langer ongestraft de verheven figuur aller eeuwen en gedachten durven beleedigen, en haar rein gewaad bezoedelen in haar domme haast!--"C'était plus fort que moi!"--Weet hij dan niet hoeveel zelfbeheersching er geëischt wordt van de ware priesters der Kunst; hoeveel onwrikbaar geduld, hoeveel zelfverloochening!--Kent hij Da Costa niet!--Heel 't Oosten is een graf! schreef de groote dichter. En hij schetste verder het gloeiende Oosten, met zijn vervallen steden, zijn tempels en paleizen in puin; de lachende vruchtbare dreven van weleer, in woestijnen veranderd. Twee drie bladzijden heerlijke verzen! Maar die bladzijden—gewikt en gewogen—werden met één pennestreek vernietigd; en, daar stond als in arduin gehouwen, dat plechtig:
--Heel 't Oosten is een graf. [15]
Er werd aan de deur geklopt, en—reeds in hetzelfde oogenblik geopend, trad een allerliefst persoontje de kamer in.
De ernstige spreekster van zooeven stond op; sloeg haar bournous in edele plooi om den schouder, en verliet met een deftigen groet het vertrek.--Ik volgde haar; drukte haar bij 't uitlaten de hand, en zij wist wat die handdruk haar zeggen moest.
--Niet goed gemutst? vroeg de schoone bezoekster lachend, terwijl zij bij mijn terugkomst in de richting van de deur wees.
--Een weinig ontstemd. Er is een verhaal in 't licht gekomen ten behoeve van de noodlijdenden in Ferrara, en....
--O dan spreek je van een nieuwen Betuwschen schrijver, viel de andere in: Ik heb dat allerliefste stukje van den heer Slingervoet Ramondt daar juist gelezen.--Je kent de Betuw tusschen Rijn en Waal; den dijk er omheen; de lachende heuvels aan gindsche zij. Je kent haar 's winters.... ijsgang; watersnood.--Prachtig is die watersnood in dat verhaal geteekend; dat klimmend gevaar, die angst; 't verlaten van de bedreigde woning; die achterblijvende hond! 'k Zeg allerliefst! En natuurlijk!? Daar komt een ontvanger in; van der Teen, of.... van der Veen,--precies naar 't leven genomen! Wat ruw, maar magnifique! En dan de droefheid der ouders in de schuit die hen redt, nadat hun arme jongen verdronken is. En die lafhartige Willem Van Balen, de onwaardige ellendeling, zoo armzalig afstekende bij den ruwen maar flinken ontvanger.--En eindelijk het lieve Dientje zelve. 't Is wel geen aangrijpende figuur, maar, als het boekje is uitgelezen, dan blijft ge nog een wijl op haar grafschrift staren, en veegt een traan uit uw oog.--Ja allerliefst en aandoenlijk! En dan nog wel in der haast geschreven omdat de nood in Ferrara zoo groot is. Nobel, allernobelst! ik wensch den schrijver met zijn edel hart, de meeste voldoening toe, en hoop dat honderden zijn Dientje Van 't Veer zullen lezen en koopen.
Waarde Spectator!
Gij hebt u herinnerd dat ik geen critiek schrijf, en vraagt mij nochtans mijn oordeel over het verhaal uit de Betuw van den heer S. R.
En mijn antwoord?
De ernstige Critiek, mijn eerste bezoekster, zal den heer S. R. zeker volgaarne zoo gestreng mogelijk haar oordeel zeggen, indien hij haar later eens een werk kan aanbieden, 't welk hij onder andere omstandigheden het licht doet zien.
Wat mij betreft, terwijl ik den heer R. gaarne mijn meening over het schrijven en aanwenden van het Betuwsch dialect zou zeggen, indien ik eens 't genoegen had persoonlijk met hem kennis te maken,--want voor uwe lezers is het van weinig belang—zoo wil ik nu slechts het wel wat vluchtige oordeel van mijn laatste bezoekster onderschrijven, en er aan toevoegen: Iemand die reeds zóó in der haast zijn verhalen dicht, wat zal men niet van hem mogen verwachten indien hij eens wat minder gejaagd is.
Met den wensch dat de veelbelovende schrijver zijn tijd in 't belang der Nederlandsche letterkunde voortaan ruimschoots zal vinden, en de tijd zijn werk in 't eind overvloedig moge kronen, noem ik mij
Uw Dw.