De lelie van 's-Gravenhage · Jacobus Jan Cremer

Chapter 29: Correspondentie

Aan den WelEd. Z.Gel. Heer Dr. S. Sr. Coronel.

Geachte Heer!

Ontvang mijn vriendelijken dank dat gij naar aanleiding van mijne regelen in den Spectator, nog eens de belangen der arme fabriekskinderen hebt ter sprake gebracht.

Mij dunkt wij zijn het volkomen eens. Men moet geduld hebben—ofschoon het moeite kost. Doch, waar uw naam wordt genoemd, daar voel ik mij gedrongen om aan hen, die ongeduldig telkens weder vragen: komt er nog geen verandering in den toestand der ongelukkige fabriekskinderen, den raad te geven, al wachtende, nog eens uw dieptreffend en verre boven mijn lof verheven In 't Gooi te lezen, te vinden in den Gids jaargang 1863, maar vooral ook uw sprekend betoog, getiteld: De toestand der kinderen in onze fabrieken en het gewicht eener regeling van hunnen arbeid, uitgegeven bij de Erven Loosjes te Haarlem 1863.

Geloof mij inmiddels met de meeste hoogachting te zijn:

WelEd. Zeer. Gel. Heer,

12 Febr. 1866. Uw. Dw. Dienaar.

EEN KUNSTENAAR MÆCEEN.

Mijnheer de Spectator!

Vergun mij u iets mee te deelen.

Omdat gij er nog niet van gesproken hebt vermoed ik dat het u òf onbekend òf althans slechts bij geruchte zal bekend zijn.

Natuurlijk kent gij Dantes Divina Commedia. De Hollandsche vertalingen, inzonderheid die van A. S. Kok in metrische verzen, zullen u evenmin vreemd zijn: en zeker hebt gij de platen van Gustave Doré bewonderd, waarmee de Fransche pracht-uitgave van Dantes Inferno geïllustreerd werd.

Indien gij nú niet begrijpt wat ik bedoel, dan kan ik gerust vertellen; de zaak moet u vreemd, en de naam van den man u nog onbekend zijn.... Maar stil.

Nog zelden had ik zulk een prachtig boek in handen, en zeker heb ik nooit gedacht er zoo een present te zullen krijgen. Als er niets grooters is dan folio-formaat, dan is het folio, maar anders—is het grooter.

Zie, nu ik de zwart kartonnen doos open, waarin het groote boek, op de wijze als onze photographie-albums, besloten ligt, nu is een goed deel van onze theetafel bedekt. We zouden de thee wel kunnen wegzetten.

Voorzichtig! Die band—rood met verguld—is smaakvol en stevig. Op den rug—die nog te zien is—leest ge in gulden letters: De Komedie van Dante, en dan op het bovenblad in het beeld der eeuwigheid: De Hel van Dante.

Onwillekeurig worden de vingertoppen, hoe schoon ze ook zijn, nog eens vluchtig aan den zakdoek gebracht, want de uitroep: prachtig! komt telkens terug.

Zwaar, deftig en blank is het papier. Erg veel wit zien we in 't begin.

Ha! dat is schoon: Tegenover het titelblad, waarvan de roode en zwarte letters door het glanzig vloeipapier gluren, zien we het borstbeeld van den man wiens reuzenschepping de eeuwen trotseerde: het beeld van Dante Alighieri in overschoone photographie.

Die photographie—van den heer F. W. Deutmann te Amsterdam—werd genomen naar een marmeren buste, vervaardigd te Rome door Eumene Baratta op last van den eigenaar die.... Maar, nog even geduld, want luister, op de volgende bladzij zingt onze Ten Kate den bard der oudheid toe:

Dante Alighieri.

"In één grootsch werk de schepper van zijn taal,
En 't heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven,
Waarin niet slechts de middeneeuwen leven,
Maar 's levens polsen kloppen, al te maal.

Der volkren Dichter, door zijn volk verdreven
En vogelvrij verklaard, in zegepraal
Op vleuglen van 't genie naar 't ideaal
Der liefde, zijn Beatrix, opgeheven!

Van uit den diepsten nacht in 't hoogste licht
Trapswijz' geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht
Symbool der weergeboorte uit zonde en smarte,
Die 't menschlijk leven godlijk loutren moet.
Zóó schildert, met zijn tranen en zijn bloed,
Deez' Dante in beelden 't drama van elks harte."

En als we dan het zware blad weer omslaan dan lezen we:

Mijnen waarden vriend Dr. Hacke, vertolker van Dante's Inferno.

En weer klinkt het lied van onzen zanger:

"Gij zijt hen nagewandeld, onbevreesd
Als derde volgend door de ongastvrije oorden!
En wat Virgiel en Dante zagen, hoorden,
Gij hebt het mee ervaren in den geest.

Ja meer! Gij zijt des Dichters tolk geweest,
En 't is uw roem, als voortaan in ons Noorden
Het zuidlijk orgel zingt met de eeuwige akkoorden,
En Neerland huivrend zijn Inferno leest!

Excelsior! Van uit de schriklandouwen
Naar boven!..... Zalig zijn zij die daar rouwen!
De smart tot God is heilig loutringsvuur.
Doe als uw meester! Stil ter goeder uur
De zielzucht onzer edeler natuur:
Wij smachten naar Beatrix—doe ze aanschouwen!

"Dr. Hacke?"

Jawel, Dr. J. C. Hacke van Mijnden! Kent ge hem niet?

"Hacke van Mijnden?" zegt ge, en kijkt rechts en links, "Dr. Hacke van Mijnden—Doctor....?"

Tob maar niet langer. Gij kent hem niet. En dat is juist het mooie van de zaak.

Ik herhaal het: dat is nu 't mooie van de zaak.

Dr. Hacke is een man van middelbaren leeftijd, en het eerste dichtwerk, dat hij het publiek—neen nog slechts zijn' vrienden aanbiedt, het is de vrucht van een studie sinds de dagen zijner jeugd. Mij dunkt dat heet liefde en eerbied hebben voor de kunst, dat heet eerbied en achting gevoelen voor haar waardige vierschaar, en—voor zich zelven!

Men heeft mij gezegd—en 't kwam uit een goede bron—dat Dr. Hacke de geheele Divina Commedia—of althans de Inferno—reeds driemalen voor eigen studie en genot in 't Nederlandsch overbracht, om steeds dieper de schoonheden van het onsterfelijk gedicht te peilen, aleer hij besluiten kon een vertolking er van aan de pers te vertrouwen. Luister even welke eischen de ernstige man zichzelven stelt. Hij zegt in zijn voorwoord—zonder opschrift:

"Indien het nu bij de overbrenging van een dichterlijk kunstwerk in eene andere taal altijd een vereischte is, den vorm, waarin de dichter zijne gedachte gekleed heeft, in het oog te houden, dan is het vooral bij Dantes Komedie het geval, waar niets willekeurig is, waar alles mathematisch en harmonisch in elkander past, waar elke uitdrukking, elke vorm, ik zou haast zeggen elk woord, met een bepaald doel gekozen werd."

En verder:

"Niettegenstaande de redenen door Macaulay aangevoerd voor zijne uitspraak, dat eene vertaling nooit behoort geschreven te worden in verzen, die bijzondere moeilijkheid voor het rijm opleveren, heb ik getracht, én den geest, én den nauw daarmede verwanten vorm van het dichtstuk te bewaren, door niet alleen voor zooverre 't mogelijk was, regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (slepende) eindrijmen na te volgen; het rijm toch maakt de terzini uit, die zonder dat, van kleur en doel verstoken zou zijn."

Of Dr. Hacke daarin geslaagd is, en of hij het gezegde der Italianen: "Traduttore-traditore (vertaler-verrader)" op zich behoeft toe te passen; of hij schitterend de vele bezwaren heeft overwonnen, die hij vond op zijn moeielijk pad, dewijl onze taal "noch den rijkdom, noch de verscheidenheid van slepende uitgangen heeft die aan de Italiaansche eigen zijn". Op dit alles zal ik u geen antwoord geven. Gij weet het, ik matig mij niet gaarne in 't publiek een oordeel over anderer kunstwerken aan, en vooral zou het hier al zeer dwaas zijn een oordeel over een jarenlange studie te vellen, gesteld zelfs dat wij het Italiaansch spraken als onze moedertaal òf—als Dr. Hacke.

Maar wilt gij eenige bladen met mij omslaan en luisteren, dan kunt gij zelf oordeelen.

Doch eerst moet ge zien, want door het vloeipapier, waarop in 't midden keurig en zuiver gedrukt staat:

"In 't midden van de loopbaan van ons leven
Heb ik mij in een duister woud bevonden.

De Hel, Z. I. I."

door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht, zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig omziet, dewijl hij "het rechte pad had laten varen".

Wij slaan nu eenige bladen om en, luister:

Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven staat:

"Wie binnentreedt late alle hope varen."

en Dante spreekt:

Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden
Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten,
Zoo daalden we in den afgrond naar beneden,

Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten,
Die duistre sterrelooze lucht doorboorden,
Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.

Vermengde talen, vreeselijke akkoorden,
Geschrei van smart en wanhoop of van woede,
Met handgeklap en schelle of doffe woorden

Verwekten een geweld, dat, nimmer moede,
In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten,
Als zand, gedreven door des stormwinds roede.

Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.--Ei! zie nog eens even die terzines:

Krachten, klachten, brachten.
Doorboorden, akkoorden, woorden.
Woede, moede, roede.

En dan, een schier woordelijke vertolking!

Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen.

In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen, op vaderlandschen grond!

Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd—en nog te leveren—bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom onzer heerlijke moedertaal. En—wat wordt zij dikwijls verloochend, die lieve taal van Vader en Moeder!

Gij hebt het reeds gehoord, de dichter—rijk in meer dan eene beteekenis—hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.--'t Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota van te nemen.

Maar 't zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht op heeft.

Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal afhangen van de vrienden. 't Getal is al wél zult ge zeggen: honderd vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, 't is dat hij zijn werk niet in een gewonen vorm—al ware het dan ook tegen een matigen prijs—voor 't groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen.

't Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar, het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te geven wenscht.--'t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor.

Nu zult gij wellicht vragen—en oogenschijnlijk met eenig recht—of het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,--voelde ik mij gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft mij 't recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft:

"Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid zullen winnen. [14] Het zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden."

Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in 't belang der Nederlandsche kunst!

Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het prachtwerk gunt, 't welk ik dank aan een gelukkige kennismaking met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet.

Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij "in dien arbeid troost en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen", en dat eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland.

Den Haag, 10 April 1867.