"Mijnheer de Spectator!" Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had er geene enkele bestelling op. Maar—ofschoon de man gerust mocht lachen, aangezien de Spectator zoomin als de redactie een mijnheer is—immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee of drie mijnheeren—zoo schreef ik toch in navolging van anderen: Mijnheer de Spectator, en 't blijft er staan. Wat doen we niet veel in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten.
Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden wil. In de eerste plaats—metterdaad—de dikwijls herhaalde: Schrijf je niet meer in de Spectator?--Liefst geen vertellingen mijnheer, ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken—al is het stuk dan ook zoo voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk, waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders.
Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder, ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets anders ligt mij op het hart. Dat moet er af!
Desiderius, ik heb uw stuk "Een afscheid aan de kerk", naar aanleiding van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866 van de Ned. Spectator, gelezen.
Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen, een oogenblik in den waan komen dat Revilles: "Jan Rap,"--door verstandigen althans—op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein is en edel:
"Als hij 's avonds laat thuis komt psalmzingt hij:
Vrijheid! Blijheid!
"Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten."
In één woord. 't Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen—waar streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap, daar is godsdienst.
En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen, die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige uiting hebben.)
Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde Moderne richting in het oog der edele vrije denkers—van Jan Rap spreken we niet—dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp zijn.--Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet stilstaan bij de tientallen die gij kent; bij menschen onder hen, als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart; neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre, in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag—en ze zullen er tot den einde toe zijn—om zich schatten te verzamelen en tot eer of grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden—wij hopen hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn en niets meer,--mannen, die er in de grootste gebouwen—welke met hun hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen—den medemensch herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed, en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.--Juich het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed.
O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op 't papier zijn te zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering, hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig; al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij: Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt....
Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan later.
En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil—indien ik haar wel begrijp—hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden gegeven. Zij wil prediken: "Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u misdeed." Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het: "Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de linkerwang, keer hem ook de rechter toe." Is dat niet geniaal? Ja, 't is nu een oud en bekend refrein, maar 't is prachtig geniaal. Daar kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van nul en geen waarde.
Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin van Jezus,--ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde heilige geest is—dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat alle menschen—ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten, of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal.
Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog verjongen?--Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig, zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan, waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon; op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen.
Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten, troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in 't eind te komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt, want luister, luister naar den genialen dichter:
"Vele woningen zijn er in des Vaders huis!"
Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in oude zakken, geen....
Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden.
Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke kracht daarin gelegd of gezocht wordt:
Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan—zou het niet goed zijn dat die ouders—velen althans—omringd van vrienden en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil.
Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral, niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige; dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening—zoo die noodig is—hun een ongekende zaligheid schenken zal—Maar in die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de menschen moeten veranderen, ik weet het niet.
En 't kerkelijk trouwen!--O, begin maar vrij uw huwelijk in het huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas, bespottelijk dwaas!
Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk—der oude vooral—dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij wilt denken en God dienen in 't gemoed op uwe wijze, zelfs al moest het schijnen dat ge leeft zonder een God.
Maar hoe—waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren, ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig, altijd een vorm.
Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed in met mij, 't is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde!
En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en dorpen, dan binnen de grenzen—ik had haast gezegd dan binnen de muren eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe, evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik.
Dit moest mij van 't hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag: Zijt ge het altijd eens met den Spectator? [11]
Jan. 1866.
(Wordt vervolgd).
II.
Mijnheer de Spectator!
Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord te geven.
Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema, getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, 't geen ik reeds goed zou kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed is,--ook het goede niet in den vreemde.--Maar immers ik ben geen recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal.
Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....?
Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, 't gaat langzaam, alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het zijn goede zijde, maar--'t is treurig, heel treurig, dat die arme, bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken, dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het redelooze dier.--Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch—geduld! de tijd komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen, dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen.
Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden leggen....?
O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis, als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is, en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat, wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het waarachtig belang der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe, daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja, hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten, UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld worden, en misschien—als gij later knappe werklieden wordt, dan krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels met mosterd en uw kleffe poffers met kalk.
Maar gelooft gij dan—zoo klinkt alweder een vraag—dat onze fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier kleinen een bloedgeld moest zijn—arme ouders, treurig overschot van een geslacht fabriekskinderen dat verging.
Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien, zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd; dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag, werktuigen en niet veel meer.
"Marie, geef dien armen drommel daar op straat 'en boterham, 't is beroerd zooals dat kind d'r uitziet—zoo'n wurm!"
En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. "Ja, ziet ge, als men IN DE FABRIEK is dan is 't natuurlijk dat ze er zóó uitzien, maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt een verschil, dat doet waarachtig zeer."
Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt, als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen—de meesten hunner althans—want ziet ge, daar is een andere macht, die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht....
Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen, mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak der fabriekskinderen?
En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de schoonste vruchten oplevert [12] mag hier niet ontbreken. Nog een wijle geduld!--Voor de eer van Nederland, en—wij moeten het dankbaar erkennen—met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie.
Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je voortaan, heelemaal woordenboeks? of....?
't Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt den auteur zoo van nabij, dat hij,--om niet inconsequent te schijnen wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat—zich wel eens openlijk verklaren mag.--En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag—ja op gezag—in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was; ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling—ofschoon ik het niet rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen, op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been te helpen en had haar in allen geval—indien ze dan wat van haar mooi moest verliezen—veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, 't is Hottentotsch en een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier—misschien landerig omdat hem ook al z'n been ontfutseld was.
Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet als de schreeuwers die de "levendiche schchellevisch" venten en de "maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!" 't Is treurig, maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g, lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind hoorde voorlezen: "hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen."
Doch dit gepraat zou in 't geheel niets beduiden indien ik mij niet wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken, 't geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat daar geschreven staat: "Het boek is dicht," zou hij die van Vlotens Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen, evenals de vriend in de residentie, die een beklag ontving uit een der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder hij is "dichter bij het Hof". De vriend wist niet dat Z. M. er een privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen, dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt, doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden: behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in de woorden ligt en digt—voor niet zwaar en toe—die eensluidend als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis zijn." En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men die volgt, gaarne eerbiedigen. [13]
En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad, voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem—en mocht het zijn van het Ned. tooneel—getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk niet uitlokkende veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen, krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk.
Den Haag, 22 Jan. 66.