De lelie van 's-Gravenhage · Jacobus Jan Cremer

Chapter 27: Geen Recensie

De heer W. C. Wansleven Jr. heeft dezer dagen een verzameling zijner verspreide lettervruchten onder den titel Kleine verhalen het licht doen zien.

De geachte auteur heeft de bijzondere goedheid, om de genoemde verhalen door een kort woord tot mij gericht, te doen voorafgaan.

De heer Wansleven vangt aldus zijn schrijven aan:

"Als ik er met de uitgave van deze mijne Kleine verhalen niet te best afkom, zal ik het verdriet daarover grootendeels aan u te wijten hebben. Gij toch hebt met zeldzame volharding op die uitgave aangedrongen. Ik weet wel waarom gij het deedt...." en de schrijver zegt dat hij er alleen het bewijs mijner belangstelling in ziet. "Maar," zoo vervolgt hij iets later, "gij hebt waarschijnlijk niet bedacht dat er sedert het opstellen van het jongste dezer novellen al verscheidene jaren zijn verloopen en de smaak van ons lezend publiek in die jaren aanmerkelijk is gewijzigd, zoodat ook gij voorzeker, als gij ze nu voor de eerste maal laast, er u niet zoo mee ingenomen zoudt betoonen als ge als knaap en jongeling deedt."

Dit schrijven, het pleit m. i. slechts voor de buitengewone nederigheid van den geachten auteur.

Ofschoon volgaarne toestemmende dat de smaak van ons lezend publiek in de laatste jaren is gewijzigd—ik meen ten goede gewijzigd—zoo begrijp ik echter niet hoe die smaak in een tijdsverloop van nauwelijks vier jaren—de tijd die er sedert de eerste verschijning der genoemde "jongste novelle" verliep—zoozeer zou kunnen gewijzigd zijn, dat men nú zal verwerpen wat toen met graagte gelezen, en o. a. door een geestig en zeer begaafd beoordeelaar, in een goed bekend maandwerk, ten zeerste geroemd werd.

"Ons Spieker," zoo schreef T., in het Maart No. van De Tijdspiegel, jaargang 1859. "Ons Spieker van W. C. Wansleven, wien wij alleen verwijten dat hij zoo zelden als schrijver optreedt, tintelt van waarheid; de eigenaars van dat Geldersche buitentje zijn uitnemend geschetst, al verschillen ze onderling niet weinig, terwijl het geheel overvloeit van lessen voor wie ze er uit halen wil."

Mij dunkt dat mijn stelling geen nadere verdediging behoeft. Ofschoon ook het uitgebrachte oordeel over Ons Spieker niet gelden kan voor het overige zevental novellen, zoozeer van elkander verschillende; waar deze ons voert naar het paleis van Galilea'a viervorst, Herodes Antipas; of gene naar Bethulië als een Judith er zegevierende binnentreedt met het hoofd van Israëls vijand; of een ander weder naar Smyrna, waar in de tweede eeuw onzer jaartelling de grijze Polycarpus als Christen blijmoedig den marteldood sterft; of ook waar die overige verhalen ons terugvoeren naar het midden dezer eeuw, en ons op aandoenlijke wijze de slachtoffers toonen van kwalijk begrepen eergevoel, van een zoogenaamd "goed huwelijk", van geloofsdwang en lagen hartstocht in 't eind; ja, ofschoon het niet te verwachten is dat de kritiek—waar zoo velerlei smaak en richting haar bestuurt—over al deze verhalen een oordeel zal vellen, zooals er over het genoemde juweeltje werd uitgebracht,--ik geloof in waarheid dat de geachte schrijver, waar hij met een verwijt als het bovenstaande vereerd werd,--zijn onderstelling met de meeste gerustheid had kunnen terughouden, evenals naar sommiger meening wellicht den geheelen brief, die het boekske tot inleiding strekt.

En toch, al had ik zelf den heer Wansleven het schrijven van dien brief moeten ontraden, nu hij geschreven is, nu verheug ik mij er in, want slechts door hem kon ik er toe komen om dit woord te spreken, en openlijk den innigen wensch te uiten, dat de waardige auteur—aan wiens talent en dichterlijk gevoel de jongere vriend zooveel te danken heeft, die in zijn vriendelijke woning of aan zijn zij in Lochems schoone dreven zooveel onvergetelijke indrukken ontvangen mocht—dat hij zal terugkomen van zijn besluit "om de pen te laten rusten", maar de Nederlandsche litteratuur nog dikwijls zal verrijken met de vruchten van zijn geest en zijn hart, het allerliefst geplukt in den rijken gaard zijner dagelijksche omgeving.

's-Gravenhage, 9 Sept. 1863.