De lelie van 's-Gravenhage · Jacobus Jan Cremer

Chapter 24: Gedachte op Den Laatsten Avond van een Droevig Jaar

De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen.

Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert.

't Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige Station; ja, 't was wel het droevigste en somberste gedeelte der geheele reize.

De lucht was zwart; 't verschiet lag in een donkeren nevel; het liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine zangen waren door den stormwind weggeloeid.

Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt, en wij voorwaarts moesten—voorwaarts zonder ophouden.

Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met teederheid de hand;--hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja—wij ontdekken hem, maar het is slechts flauw—dat telkens omzien valt ook moeielijk—nog eens—doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen wij niet meer hooren—de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds voorwaarts, en—wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem aan onze oogen onttrekt.

En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen—alweder sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen, wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden!

Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede.

Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust.

Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder zonnetje vroolijk mogen doorstoomen.

Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn; de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing.

Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet rusten; al hebt ge 't nog zoo hard op die houten banken der derde klasse,--al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der middelklasse,--al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen zittingen,--ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die mollige kussens der eerste klasse--'t baat u niet of gij klaagt,--gij moet mede.

Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet vervolgen.

Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang.

En gij—gij vooral—geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt gewiegd. Ziet—gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt?

Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken; wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons eeuwig verblijf zullen worden overgebracht.

Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk.

Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk missen. Hoe nuttig zijn de schokken,--hoe goed is het, dat nu en dan zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat!

Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid gewekt.

Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt gij liever slapen dan het schoone aanschouwen?

Zijt dan te vreden, en waakt!

Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt.

Vrij vermoeie u de reize.--Na uwe aankomst vindt gij rust—rust en vrede!