_
Met zweet en stof was hy bedekt.--Hy nadert
De wapenzael waer ze allen zyn vergaderd
Knielt voor den Vorst ter neêr en maekt hem kond
Wat krygsgevaer hun toesnelt in dien stond.
De Vorst ryst op, hy slaet zyn blik in 't rond
En roept terwyl de woed' hem nog doet siddren,
Te wapen voor het Land! voor God te wapen, Riddren!_
JA DELAET
Na de schrikkelijke nacht, in dewelke het bloed der Fransen zo overvloedig werd vergoten, kwamen De Chatillon, Jan van Gistel en de weinige anderen, die de dood ontvlucht waren, binnen de muren van Kortrijk. In deze stad was nog een talrijke bezetting, welke op het sterke kasteel in veiligheid kon verblijven: het was die plaats waarop de Fransen het meest betrouwden om haar onverwinnelijke vestingwerken. De Chatillon was wanhopig over zijn nederlaag, een stomme razernij deed zijn boezem in wraaklust blaken. Hij trok nog enige vaandels soldeniers uit andere steden om Kortrijk tegen alle aanval te versterken, en gaf er het opperbevel van aan de Kastelein van Lens, een bastaardvlaming. In allerhaast bezocht hij insgelijks de overige grenssteden, en voorzag dezelve met de nog overblijvende benden uit Picardië; hij gaf het bevel van Rijsel aan de Kanselier Pierre Flotte[101], vertrok naar Frankrijk, en kwam te Parijs bij het Hof van de Koning, die de nederlaag zijner krijgsknechten reeds had vernomen. Philippe le Bel ontving de Landvoogd van Vlaanderen met toorn, en verweet hem dat zijn dwingende beheersing de oorzaak van al deze onheilen was. Wellicht zou De Chatillon voor altijd in ongunst vervallen zijn; maar de Koningin Johanna, die de Vlamingen niet lijden kon, en zich in derzelver verdrukking had verheugd, wist haar oom De Chatillon zo wel te verschonen dat Philippe zich eindelijk meer tot dankzegging dan tot verwijt verplicht achtte. Dit zo beleid zijnde, keerde de Franse Vorst zijn mismoed tegen de Vlamingen, en zwoer dat hij zich over hen ten volle wreken wilde.
Reeds was er een leger van twintigduizend man bij Parijs vergaderd, om het Koninkrijk Majorca uit de handen der ongelovigen te gaan verlossen: dit waren de benden waarvan de bijeenroeping door Robrecht van Bethune aan de Vlaamse Heren was kenbaar gemaakt. Met dit leger zou men tegen Vlaanderen ten krijg hebben kunnen trekken, maar Philippe wilde geen nederlaag wagen; hij besloot de wraak nog enige tijd uit te stellen, om meer mannen te velde te kunnen brengen. Meteen werd er, door buitengewone boden, een roep door heel Frankrijk gezonden; het werd de Baanderheren des Rijks kond gedaan dat de Vlamingen zevenduizend Fransen vermoord hadden, en dat de Vorst zijn Leenmannen zo spoedig mogelijk met hun Laten te Parijs riep, om die hoon te gaan wreken. In die tijden waren de wapendaden en de oorlog de enigste bezigheden der Edellieden, zij verheugden zich zodra er ergens te strijden was; het is dus niet te verwonderen dat zij op die roep antwoordden. Uit alle gedeelten van het wijde Frankrijk kwamen de Leenheren met hun gewapende Laten toegelopen, en in weinig dagen bevond het Franse leger zich boven de vijftigduizend man sterk.
Benevens de Leeuw van Vlaanderen en Charles de Valois, was Robert d'Artois een der moedigste krijgsoversten van Europa; boven deze twee eerste ridders bezat hij nog die ondervinding en ervarenheid, welke hij uit zijn talrijke tochten geput had; nooit was het harnas acht volle dagen van zijn lichaam geweest, en zijn haren waren onder de helm vergrijsd. De onverbiddelijke haat, welke hij tegen de Vlamingen droeg, omdat zijn enige zoon door hen te Veurne verslagen was, dreef de Koningin Johanna aan om hem tot Seneschalk-bevelhebber des legers te doen benoemen; dit was haar niet moeilijk, want niemand kwam dit eervol ambt meer toe dan Robert d'Artois[102].
Gebrek aan geld en de dagelijkse aankomst der Leenheren uit verre heerlijkheden hielden deze macht nog enige tijd in Frankrijk. De al te grote drift, welke de Fransen gewoonlijk in hun tochten gebruikten, was hun menigmaal verderfelijk geweest; zij hadden ten hunnen koste geleerd dat de voorzichtigheid ook een macht is; derhalve wilden zij zich ditmaal van alles voorzien en met meer beleid te werk gaan.--De boze Koningin van Navarra ontbood Robert d'Artois bij haar en dreef hem aan om alle wreedheden in Vlaanderen te plegen. Onder andere gebood zij hem: dat men de borsten van al de Vlaamse zeugen afsnijden en al haar biggen met het zwaard doorspeten zou, en dat men de honden van Vlaanderen zou doodslaan; de honden van Vlaanderen waren de dappere mannen, die met het staal in de vuist voor het Vaderland strijden zouden. Deze schandelijke woorden door een Koningin, door een vrouw gesproken, zijn, ten bewijze harer wreedheid in de Kronieken bewaard[103].
Gedurende dit uitstel versterkten zich de Vlamingen grotelijks. Mijnheer Van Borluut had de Gentenaren tegen de bezetting hunner stad doen opstaan en dreef de Fransen uit Gent, zevenhonderd derzelve bleven in dit oproer dood. Oudenaarde en meer andere gemeenten maakten zich insgelijks vrij, in dier voege dat er geen vijanden meer overbleven dan in de sterke steden, waar de gevluchte Fransen te saam gelopen waren[104]. Willem van Gulik, de Priester, kwam met een goede bende boogschutters uit Duitsland in Brugge; zodra Mijnheer Jan van Renesse zich met vierhonderd Zeelanders bij hem vervoegd had, vertrokken zij beiden, met hun volk en een goed getal vrijwilligers, naar Kassel, om de Franse bezetting te bespringen en te verjagen. Die stad was ongemeen sterk gemaakt, en kon niet gemakkelijk gewonnen worden; Willem van Gulik had op de medewerking der Burgers gerekend, maar deze werden zo wel door de Fransen bewaakt dat zij zich niet dorsten roeren. Dit verplichtte Mijnheer Willem een regelmatige belegering aan te vangen, het duurde vrij lang eer hij zich de nodige werktuigen had bezorgd.
De jonge Gwyde was in de voornaamste steden van West-Vlaanderen met blijde toejuichingen ontvangen geweest; zijn tegenwoordigheid had er velen moed gegeven, en tot de verdediging des Vaderlands aangepord: op dezelfde wijs had Adolf van Nieuwland de mindere vlekken bezocht om het volk te wapen te roepen.
In Kortrijk lagen bij de drieduizend Fransen onder het bevel van de Kastelein van Lens. In stede van zich door goede behandelingen bij de burgerij lijdelijk te maken, begingen deze bijeengeraapte krijgsknechten alle soorten van gewelddadigheden,--maar dit verveelde de Kortrijkers spoedig. Door het voorbeeld der andere steden aangemoedigd stonden zij tegelijk tegen de Fransen op, en versloegen er meer dan de helft; de overigen vloden in aller ijl op het kasteel, en versterkten zich tegen de aanval des volks. Om zich te wreken, schoten zij met vlammende pijlen op de stad en staken de schoonste gebouwen in brand. Al de huizen rondom de Markt en het Begijnhof werden door het vuur tot de grond vernield[105]. De Kortrijkers belegerden het kasteel met veel moed en onversaagdheid, echter was het hun niet mogelijk de Fransen zonder andere hulp te verjagen; met het droevig vooruitzicht van hun stad weldra gans te zien afbranden, zonden zij een bode naar Brugge, om Mijnheer Gwyde dringend om bijstand te smeken.
De bode kwam op de 5 juli 1302 bij Gwyde, en gaf hem de beklagelijke toestand der goede stad Kortrijk te kennen, hem in de naam der Burgers alle hulp en onderdanigheid belovende. De jonge Graaf werd bij dit verhaal diep getroffen, en besloot zich zonder beiden naar de ongelukkige stad te begeven. Mits Willem van Gulik al de krijgsknechten naar Kassel gevoerd had, wist Gwyde geen ander middel dan de ambachten van Brugge op te roepen. Hij deed onmiddellijk al de Dekens in de opperzaal van het Prinsenhof ontbieden, en ging zelf met de ridders, die zich reeds bij hem vervoegd hadden, derwaarts; een uur hierna waren de geroepen Dekens ten getal van dertig in het aangewezen vertrek vergaderd, zij stonden met ontdekt hoofd aan het einde der zaal en wachtten stilzwijgend op hetgeen men hun ging zeggen. Deconinck en Breydel, als zijnde de hoofden der twee voornaamste ambachten, bevonden zich vooraan. Mijnheer Gwyde zat in een rijke leunstoel tegen de wand van het oppergedeelte der zaal; rondom hem stonden de heren Jan van Lichtervelde en de heer van Heyne, beiden Beers van Vlaanderen[106], de heer van Gavere, wiens vader door de Fransen voor Veurne was vermoord, de heer van Bornem, Tempelridder, de heer Robrecht van Leeuwergem, Boudewyn van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Hendrik heer van Lonein, Luxemburger, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, Brabanders, Pieter en Lodewyk van Lichtervelde, Pieter en Lodewyk Goethals van Gent, en Hendrik van Petershem. Adolf van Nieuwland bevond zich aan de rechterzijde van de jonge Graaf en sprak gemeenzaam met hem.
In het midden van de afstand, die tussen de Dekens en de ridders was, stond de bode van Kortrijk.--Zodra iedereen op zijn behoorlijke plaats was, beval Gwyde de bode dat hij zijn boodschap voor de Dekens zou herhalen. Hij gehoorzaamde aan dit gebod en zegde: "Mijne heren, de goede lieden van Kortrijk doen u door mij kennen dat zij de Fransen uit hun stad verjaagd hebben, en dat er vijfhonderd derzelve zijn doodgeslagen; maar nu bevindt de stad zich in de grootste nood. De verrader Van Lens heeft zich op het kasteel begeven, hij schiet dagelijks met vlammende pijlen op de huizen, en reeds is het rijkste gedeelte der stad in as gelegd. Mijnheer Arnold van Oudenaarde is de Kortrijkers bijstand komen geven, doch hun vijanden zijn te talrijk. In die akelige toestand bidden zij de heer Gwyde, in het bijzonder, en hun vrienden van Brugge in het algemeen, om hulp, hopende dat zij geen dag langer zullen wachten om hun benauwde broeders te gaan verlossen. Dit is hetgeen de goede lieden van Kortrijk u doen zeggen."
"Gij hebt het gehoord, Dekens," sprak Gwyde, "een onzer beste steden is in gevaar van gans vernield te worden: ik geloof niet dat de roep uwer broederen van Kortrijk vruchteloos zijn zal, het is ook die twijfel niet, die mij dus doet spreken, maar de zaak eist spoed; uw medewerking alleen kan hen uit die benauwdheid redden, derhalve verzoek ik u in allernaast uw ambachten te wapen te roepen. Hoeveel tijds hebt gij nodig om uw benden voor de tocht te bereiden?"
De Deken der wevers antwoordde: "Deze namiddag, doorluchtige heer, zullen vierduizend gewapende wolwerkers op de Vrijdagmarkt staan, waar gij het beveelt, zal ik ze voeren."
"En gij, meester Breydel, zult gij er u ook bevinden?"
Breydel kwam met trotse moed vooruit, en antwoordde: "Edele Graaf, uw dienaar Breydel zal u niet min dan achtduizend gezellen leveren."
De grootste verwondering deed zich onder de ridders op.
"Achtduizend!" riepen zij tegelijk.
"Ja, ja, Mijne heren," hernam de Deken der beenhouwers, "achtduizend of meer. Al de ambachten van Brugge behalve de wevers hebben mij tot hun Aanleider verkozen, en God weet hoe ik die hulde zal erkennen! Deze middag reeds, indien UEdele het beveelt, zal de Vrijdagmarkt met uw trouwe Bruggelingen overdekt zijn:--en ik mag zeggen dat UEdele aan mijn beenhouwers duizend leeuwen in zijn leger heeft; want er zijn geen mannen meer gelijk de Macecliers.--Hoe eer, hoe liever, edele heer, onze bijlen beginnen te roesten."
"Meester Breydel," sprak Gwyde, "gij zijt een dappere en waarde onderdaan mijns vaders. Het land, waar zulke mannen geboren worden, kan niet lang in slavernij blijven; ik dank u om uw goedwilligheid."
Een vriendelijke glimlach der omstaande ridders betoonde hoe aangenaam hun de woorden van Breydel geweest waren. De Deken keerde terug tussen zijn makkers en suisde in het oor van Deconinck: "Ik bid u, Meester, belg u niet omdat ik dit aan Mijnheer Gwyde gezegd heb. Gij zijt en blijft mijn overste, want zonder uw raad zou ik niet veel goeds uitrichten. Mijn rede heeft u immers niet verstoord?"
De Deken der wevers drukte de hand van Breydel, ten teken van vriendschap en toestemming.
"Meester Deconinck," vroeg Gwyde, "hebt gij mijn verzoek aan de ambachten kenbaar gemaakt? Zullen mij de nodige gelden bezorgd worden?"
"De ambachten van Brugge," was het antwoord, "stellen al hun middelen ter uwer beschikking, edele heer. Het gelieve u enige dienaren met een geschreven bevel naar het Pand te zenden, er zullen hem zo veel marken zilvers als het UEdele zal believen, worden afgeleverd. Zij bidden u dat gij hen niet spaart, de vrijheid kan hun niet te duur staan."
Op het ogenblik dat Gwyde de dienstwilligheid der Bruggelingen door dankbare woorden wilde erkennen, ging de deur der zaal open, en al de ogen stuurden zich met verbaasdheid op een monnik, die stoutelijk, zonder geroepen te zijn, in de zaal kwam en tot bij de Dekens naderde. Een kolder van zwaar bruin laken was hem met een koord om het middel gebonden; een zwarte kap hing over zijn hoofd en verborg zijn gelaatstrekken in zulker voege, dat men hem niet herkennen kon. Hij scheen zeer oud, want zijn rug was gebogen en een lange baard hing op zijn borst. Met een vluchtig oog bezag hij beurtelings al de ridders en drong met stoute blik tot in de grond hunner harten, dit was tenminste hetgeen hij zichtbaar poogde te doen. Adolf van Nieuwland herkende in hem dezelfde monnik, welke hem de brief van Robrecht van Bethune had gebracht, en meende hem met luider stem te groeten, maar de bewegingen van de monnik werden zo zonderling dat de woorden op de lippen van de jonge ridder vergingen. Al de bijzijnde personen werden door toorn vervoerd: het stoute onderzoek, dat de onbekende op hen gericht had, was een hoon, die zij niet gewilliglijk verdroegen; echter gaven zij die gramschap niet te kennen, ziende dat het raadsel zich ging oplossen.
De monnik, zijn navorsing geëindigd hebbende, ontknoopte de koord van zijn lenden, wierp zijn kolder en zijn baard op de grond en bleef te midden der zaal staan. Hij hief het hoofd op, en vertoonde zich als een man van bij de dertig jaar met een zwierige en trotse gestalte, de ridders beziende alsof hij vragen wilde:--Welnu, herkent gij mij?
Maar de omstaanders antwoordden niet ras genoeg naar zijn begeerte; dan riep hij: "Mijne heren, het schijnt UEdele vreemd een vos onder die kolder te vinden, het is evenwel twee jaar lang dat ik er onder woon."
"Welkom! Welkom, onze duurbare vriend Diederik!" riepen de Edelen tegelijk. "Wij dachten dat gij lang dood waart."
"Dan moogt gij God danken dat ik verrezen ben," hernam Diederik de Vos. "Maar neen, ik was niet dood: onze gevangen broeders en Mijnheer Van Nieuwland kunnen dit getuigen. Ik heb ze allen getroost, want als een reizende Priester mocht ik bij de gevangenen gaan; de Heer vergeve mij het Latijn dat ik gesproken heb! Ja, ja, Mijne heren, lacht niet, ik heb Latijn gesproken. Ik breng tijdingen van al onze ongelukkige landgenoten voor hun bloedverwanten of vrienden."
Enigen der ridders wilden hem over het lot der gevangenen ondervragen, maar hij weerde dit af en ging voort: "Om Gods wil, vraagt mij nu niets over dit punt, ik heb u gewichtiger zaken te verhalen. Luistert en beeft niet, want al schertsend breng ik u een droevig nieuws. Gij hebt het juk afgeschud en nu zijt gij vrijgevochten, ik betreur dat ik dit feest niet heb mogen bijwonen. Eer zij u, edele ridders en goede Burgers, dat gij het Vaderland verlost hebt: ook verzeker ik u dat, indien de Vlamingen binnen vijftien dagen geen nieuwe boeien hebben, al de duivelen der hel niet bekwaam zullen zijn om hun de vrijheid nog te ontroven;--maar daaraan twijfel ik sterk."
"Verklaar u dan, Mijnheer Diederik," riep Gwyde, "verklaar uw voorgevoel en maak ons niet bevreesd door onverstaanbare woorden."
"Welaan, ik zeg u dat er voor de stad Rijsel tweeënzestigduizend Fransen gelegerd zijn.[107]"
"Tweeënzestigduizend!" herhaalden de ridders, elkander met benauwheid beziende.
"Tweeënzestigduizend!" herhaalde Breydel, terwijl hij zijn handen met blijdschap in elkander wreef. "O God, wat schone kudde!"
Deconinck liet het hoofd voorover hellen, en zonk in diepe bedenking; dit was altijd het eerste dat de vernuftige Deken der wevers in de uiterste omstandigheden deed. Dan berekende hij spoediglijk het gevaar en de middelen om het af te weren.
"Ik verzeker u, Mijne heren," hernam Diederik de Vos, "dat er meer dan tweeëndertigduizend ruiters en wel zo veel voetknechten zijn. Zij roven en verkrachten alsof zij daardoor de hemel verdienen moesten."
"Zijt gij wel zeker van die kwade tijding?" vroeg Gwyde met angst. "Heeft degene, die u dit gezegd heeft, u niet bedrogen, Mijnheer Diederik?"
"Neen, neen, edele Gwyde, ik heb het met mijn ogen gezien en heb gisteravond in de tent van de Seneschalk Robert d'Artois gegeten. Hij heeft op zijn eer voor mij gezworen dat de laatste Vlaming door zijn hand zal sterven. Ziet nu wat gij doen kunt, wat mij betreft: ik ga ten spoedigste een harnas aandoen; en al ware het dat ik alleen tegen die tweeënzestigduizend vervloekte Fransen moest vechten, zou ik geen voet achteruit gaan; ik wil de slavernij van Vlaanderen niet meer zien."
Jan Breydel kon zich geen ogenblik stilhouden; hij verplaatste gedurig zijn voeten en bewoog de armen met onrust. Indien hij had mogen spreken! Maar de eerbied voor de bijzijnde heren weerhield hem. Gwyde en de andere Edelen bezagen elkander met radeloze droefheid: tweeëndertigduizend welgeoefende ruiters! Dit scheen hun te veel om weerstand te kunnen bieden. In het Vlaamse leger waren slechts de vijfhonderd Naamse ruiters die Gwyde met zich gebracht had: wat vermocht dit klein getal tegen de schrikkelijke hoop der vijanden?
"Wat zullen wij doen?" vroeg Gwyde. "Hoe zullen wij het Vaderland toch redden?"
Enigen waren van gevoel zich in de stad Brugge op te sluiten, totdat het Franse leger uit gebrek aan levensmiddelen zou vertrekken; anderen weder wilden recht tegen de vijand optrekken en hem des nachts overvallen. Nog meer middelen werden er voorgesteld doch de meeste werden als schadelijk verworpen, en de andere waren onuitvoerbaar.
Deconinck stond nog met gebogen hoofd te denken; hij luisterde wel op hetgeen er gezegd werd, maar dit belette hem niet in zijn overwegingen voort te gaan.
Eindelijk vroeg Gwyde hem welke middelen hij in zulke droeve toestand kon aanwijzen.
"Edele heer," antwoordde Deconinck, het hoofd oprichtende, "indien ik bevelhebber was, zou ik mij op de volgende wijze gedragen: in aller haast zou ik met de ambachten van Brugge naar Kortrijk vertrekken om de Kastelein van Lens te verjagen, dan zouden de Fransen die stad niet als de steunplaats hunner werkingen in ons land kunnen gebruiken; daardoor zouden wij een veilige bergplaats voor de vrouwen en kinderen en voor onszelf hebben, want Kortrijk met het kasteel is sterk, terwijl Brugge, gelijk het nu is, geen enkele stormloping kan uitstaan. Ik zou reeds op het tegenwoordig uur dertig boden te paard in al de steden van Vlaanderen zenden met de tijding der komst van de vijand, en al de Klauwaards naar Kortrijk roepen; insgelijks zou ik Mijnheer Van Gulik en Mijnheer Van Renesse derwaarts doen komen. In dier voege, edele Graaf, ben ik zeker dat er binnen vier dagen dertigduizend strijdbare Vlamingen in het leger zijn zullen, en dan moeten wij de Fransen zozeer niet vrezen."
De ridders luisterden met een plechtig stilzwijgen, zij bewonderden de buitengewone man, die in zo korte ogenblikken een algemeen krijgsontwerp gevormd had en zulke heilzame maatregelen voor hen ontvouwde. Alhoewel zij de bekwaamheid van de Deken kenden, konden zij met moeite zich overtuigen dat een wever, een man uit het gemene volk, met zoveel vernuft kon begaafd zijn.
"Gij hebt meer verstand dan wij allen," riep Diederik de Vos, "ja ja, dit zij zo gedaan, wij zijn sterker dan wij dachten. Nu verdraait het blad; ik geloof dat de Fransen zich hun komst zullen berouwen."
"Ik dank God dat hij u deze gedachte heeft ingeboezemd, meester Deconinck," hernam de jonge Graaf. "Uw goede diensten zullen niet onbeloond blijven. Ik wil mij volgens uw raad gedragen, want hij spruit uit de diepste wijsheid. Meester Breydel, ik hoop dat gij de mannen, die gij ons beloofd hebt, zult aanbrengen."
"Achtduizend heb ik gezegd, edele Graaf," viel Breydel uit. "Welaan! Nu zeg ik tienduizend. Ik wil niet dat er een enkel gezel in Brugge blijve, jong en oud het moet er al tegenwoordig zijn. Ik zal wel zorgen dat de Fransen ons niet ineens over het lichaam zullen lopen,--en deze Dekens, mijn vrienden, zullen dit ook doen, ik weet het."
"Voorwaar, edele heer," riepen de Dekens tegelijk, "er zal niemand ontbreken, want iedereen verlangt de strijd."
"De tijd is te kostelijk om ons nog langer op te houden," sprak Gwyde. "Gaat nu spoedig uw ambachten vergaderen; binnen twee uur zal ik tot de tocht veerdig zijn, en aan het hoofd van uw scharen op de Vrijdagmarkt mij bevinden. Gaat, ik ben voldaan over uw toegenegenheid en moed."
Allen verlieten de zaal. Gwyde zond op staande voet een groot getal boden in alle richtingen, met bevelen voor de Edelheren die nog getrouw aan het Vaderland gebleven waren; insgelijks deed hij aan Willem van Gulik boodschappen dat hij met Mijnheer Jan van Renesse te Kortrijk komen moest[108].
De schriklijke tijding verspreidde zich op weinig tijds door de stad. Naarmate het nieuws van de ene tot de andere overging, vergrootte het getal der vijanden verwonderlijker wijze, weldra waren de Fransen, volgens het rondlopend gezegde, tot boven de honderdduizend man sterk. Het is te denken hoe bang en hoe bedroefd de vrouwen en kinderen op die aankomende dood werden; in alle straten zag men wenende moeders, die haar benauwde dochters met liefde en medelijden omarmden. Het was zichtbaar in haar stijve ogen, dat zij voor haar nog een schrikkelijker kwaad dan de dood vreesden: de kinderen huilden, omdat zij hun moeder zagen wenen, en beefden, zonder het gevaar, dat hen bedreigde, gans te verstaan. De smartvolle klachten, en de uitdrukking van de stervensnood, welke op het gelaat dier zwakke schepsels te lezen stond, streden verwonderlijk met de trotse en onrustige houding der mannen.
Van alle kanten kwamen de ambachtslieden met hun wapens aangelopen; het geratel der ijzeren platen, die sommigen aan het lichaam hingen, klonk krijsend in het oor, en mengde zich, als in een spotgezang, met het akelig wee! wee! der benauwde vrouwen en kinderen. Wanneer enige mannen elkander in de straat ontmoetten, bleven zij een ogenblik staan, om zich enige woorden toe te sturen en dan vloekten zij dat zij wilden sterven of zegepralen. Hier en daar voor de deur ener woning zag men een huisvader zijn vrouw en zijn kinderen beurtelings omhelzen; maar dan vaagde hij welhaast de droeve traan uit zijn ogen, en verdween, als een schicht, met zijn wapens in de richting der Vrijdagmarkt. De moeder bleef lang nog op de dorpel harer woning staan, en bezag nog lange tijd de hoek, achter dewelke de vader harer kinderen was verdwenen. Dit vaarwel scheen haar een eeuwig afscheid, tranen barstten overvloedig onder haar wimpers uit; dan hief zij haar snikkende kinderen van de grond, en liep vol wanhoop naar binnen.
De ambachten stonden sedert korte tijd in lange rijen op de Vrijdagmarkt geschaard; Breydel had zijn belofte volbracht, hij telde twaalfduizend gezellen van allerlei ambachten onder zich. De bijlen der beenhouwers blonken als spiegels in het zonnelicht, en maakten de aanschouwer blind, want men blikte niet ongestraft in die brede vuurgloed. Boven de schaar der wevers staken tweeduizend Goedendags met hun ijzeren punten in de hoogte; onder hen was ook een bende met kruisbogen. Gwyde stond op het midden der plaats, met een twintigtal edele ridders rondom zich; hij wachtte totdat de overige gezellen, die men om de in de stad zijnde karren en paarden gezonden had, terugkwamen. Een wever door Deconinck naar de klokkentoren gezonden, kwam op dit ogenblik met het grote vaandel van Brugge op de Markt: zohaast de ambachtslieden de blauwe Leeuw ontwaarden, klom een schriklijk geschreeuw, een vervoerend gejuich boven hun scharen: zij herhaalden zonder ophouden dezelfde roep, die in de bloedige nacht het teken der wraak geweest was.
"Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is!"
En dan bewogen en wrongen zij hun wapens alsof de vijand reeds voor hen geweest ware.
De legertros op de wagens geladen zijnde, hieven de bazuinen hun schaterende klanken aan, en de Bruggelingen verlieten, met vliegend vaandel hun stad langs de Gentpoort. Wanneer de vrouwen zich aldus zonder één beschermer zagen, werden zij met nog meer benauwdheid bevangen; nu scheen het haar dat zij niets meer dan de dood te verwachten hadden. In de namiddag verliet Machteld de stad met al haar dienaren en vrouwen: dit vertrek gaf aan vele anderen de gedachte dat zij in Kortrijk veiliger zouden kunnen wonen. Meteen werd alles door haar ingepakt, en de deuren gesloten hebbende, gingen zij met haar kinderen ter Gentpoort uit.--Ontellijke huisgezinnen liepen in dier voege met verscheurde voeten op de weg naar Kortrijk, en zaaiden hun bittere tranen tussen het gras dat bij de boord der baan groeide.
In Brugge werd het zo stil als in een graf.