De Leeuw van Vlaanderen: Of de Slag der Gulden Sporen · Hendrik Conscience

Chapter 15: Hoofdstuk 15

_Doch waer toe dient heur tegenstand
By snooden moordnaersslach?
Wat kan een swakke vrouwenhand
By d'ongelyken slag?_

JM DAUTZENBERG

Gedurende de acht dagen die op deze voorvallen volgden, verlieten nog meer dan drieduizend Burgers de stad Brugge, en begaven zich te Aardenburg bij Deconinck, ofte Damme bij de Deken der beenhouwers. Door de verwijdering dezer strijdbare mannen verstout zijnde, gaven de Fransen zich aan alle losbandigheden over, en behandelden de overgebleven inwoners als gekochte slaven[82]. Nochtans waren er veel Bruggelingen, welke door de Fransen niet gehinderd werden en met hen spraken en vrolijk waren, alsof zij met broeders hadden omgegaan; doch dit waren Vlamingen, die hun vaderland verloochend hadden, en de gunst der vreemden door laagheid poogden te verkrijgen: zij roemden op de schandnaam van Leliaard als op een erewoord. De anderen waren Klauwaards, echte zonen van Vlaanderen, die het juk met ongeduld droegen; maar het goed dat zij bij het zweet huns aanschijns vergaderd hadden, was hun te dierbaar, om het weerloos in de handen der uitheemse plunderaars over te laten.

Op deze Klauwaards en op de vrouwen en kinderen der gebannenen was het, dat de Fransen hun kleinhartige dwingelandij uitoefenden. Niets kon hen thans in hun lage wraak wederhouden; zij ontroofden vrijelijk alles wat hun beliefde, haalden de waren met geweld uit de winkels, en betaalden dezelve met scheldwoorden en lasteringen. Dit verbitterde de verdrukte Burgers zozeer dat zij niets meer in hun winkels te koop hingen, en gezamenlijk weigerden de Fransen nog een stuk vlees of een bete broods te verkopen. Zij verborgen de levensmiddelen in de grond, om dezelve aan de opzoeking des vijands te onttrekken; in vier dagen tijds waren de mannen der bezetting zodanig uitgehongerd dat zij bij hopen in de velden rondliepen om iets te vinden[83]. Gelukkiglijk voor hen werd hierin ten dele door de zorg der Leliaards voorzien; des niettegenstaande bleef er een lastige schaarsheid in de stad heersen. De huizen der Klauwaards waren gesloten, niemand dreef enige koophandel, en alles, behalve de roerige soldeniers en laffe Leliaards, alles scheen in de stad voor eeuwig te slapen. De ambachtslieden zonder werk zijnde, konden de schattingen niet opbrengen, en waren genoodzaakt zich te verbergen om de vervolgingen van de Tolheer Jan van Gistel te ontgaan. Wanneer de bedienden van de Tol des zaterdags rondgingen om de witte penning te ontvangen, vonden zij nooit een man thuis; het was dan alsof al de Bruggelingen de stad verlaten hadden. Veel ambachtslieden klaagden bij Jan van Gistel dat zij, niets winnende, de tol niet konden betalen; maar de verbasterde Vlaming luisterde niet naar deze rede, en wilde de schatpenningen met geweld doen lichten: een groot getal Burgers werden in de gevangenissen gesmeten, anderen ter dood gebracht.

Mijnheer De Mortenay, de Franse Stadsvoogd en overste der bezetting, min wreed dan de Tolheer, wilde in deze uiterste toestand de lasten doen verminderen, en zond met dit inzicht een bode naar Kortrijk, om de Veldheer De Chatillon de hongersnood en de aaklige gesteltenis der bezetting te klagen, en hem tot het afschaffen van de witte penning te doen overgaan. Jan van Gistel, die door zijn landgenoten als een bastaardvlaming verfoeid en gehaat was, nam deze gelegenheid waar om de Veldheer De Chatillon tot strengheid aan te drijven. Hij schetste de wederspannigheid der Bruggelingen in zwarte kleuren af, en riep om wraak over hun koppigheid; voorgevende dat zij niet werken wilden, om de witte penning met enige schijn van reden te kunnen weigeren.

Bij het ontvangen dezer boodschap ontvlamde De Chatillon in hevige toorn; hij zag met pijn dat al zijn moeite, aangewend om des Konings bevelen te volvoeren, nutteloos waren, want het Vlaamse volk was ontembaar. In alle steden waren dagelijks beroerten; de haat tegen de Fransen barstte overal uit, en in sommige plaatsen, als in Brugge, werden de dienaren van Koning Philippe le Bel zowel bedektelijk als bij klare dag om hals gebracht[84]. De omgestorte torens van Male waren ook nog niet koud, en het bloed der gesneuvelde Fransen was nog niet van derzelver puinen verdwenen.

De bron, uit dewelke deze voor Frankrijk zo bittere beek over gans Vlaanderen vloeide, ontsprong in Brugge: daar was het dat het vuur des oproers zich eerst had vertoond. Breydel en Deconinck waren de hoofden des draaks die zich niet onder de staf van Philippe le Bel wilde buigen. Bij deze overweging besloot De Chatillon een krachtdadige poging te doen, en de vrijheid van Vlaanderen in het bloed der wederspannelingen te versmoren; die schreeuwende straf wilde hij als een schrikwekkende gesel gebruiken.--Hij vergaderde spoedig zeventienhonderd ruiters uit Henegouwen, Picardië en Waals-Vlaanderen; hierbij voegde hij een grote bende voetknechten en toog, vol woede, met dit leger naar Brugge.

Tussen de levensmiddelen en andere goederen welke dit gevaarte vergezelden, waren ook enige grote vaten met koorden en stroppen gevuld; deze bestemde De Chatillon tot een wreed en schrikkelijk werk. Deconinck, Breydel, en al hun gezellen moesten aan dezelve gehangen worden[85].

Om de Klauwaards geen tijd tot voorafgaande muiterijen te laten, had de Franse Landvoogd zijn komst bedektelijk aan Mijnheer De Mortenay kenbaar gemaakt; niemand dan de Stadsvoogd wist iets van de schriklijke wraakneming die er moest gebeuren.

De 18 mei 1302, om negen uur des morgens, kwam het leger der Fransen met vliegende vaandels in de stad. De Chatillon reed aan het hoofd zijner zeventienhonderd ruiters, zijn blikken waren dreigend en wreed; ook bevingen zich de harten der Burgers met een pijnlijk angstgevoel en reeds voorzagen zij een gedeelte der rampen die hen moesten treffen. De Klauwaards kon men aan de uitdrukking dezer aandoening herkennen: hun hoofden hingen gebogen en de diepste droefheid schetste zich op hun gelaat, nochtans dachten zij niet dat hun iets meer dan de afeising van de witte penning en een sterkere verdrukking zou geschieden.

De Leliaards hadden zich op de Vrijdagmarkt bij de bezetting in een hoop geschaard. Hun was de komst van de landvoogd zeer aangenaam, want hij moest ook hen over de verachting der Klauwaards wreken. Zodra De Chatillon hen genaakte, riepen die laffe bastaarden met herhaalde galmen: "Heil Frankrijk! Heil de Landvoogd!"

Door nieuwsgierigheid gedreven, was het volk in menigte bijeengelopen, en had het zich in een dikke schaar tegen de Vrijdagmarkt vergaderd. Op alle wezenstrekken stond een onzeglijke uitdrukking van vrees en benauwdheid. De vrouwen drukten hun kinderen stilzwijgend tegen de borst, en menigen ontviel een traan, zonder dat zij derzelver oorzaak verstonden. Hoe bang zij allen ook voor de wraak des Landvoogds waren, riep echter geen van hen: "Heil Frankrijk!" Schoon nu onmachtig, gloeide de haat tegen de verdrukkers van Vlaanderen in hun harten, en tussen hun droefheid kwam soms nog een dreigende blik, als een vluchtige straal, uit hun ogen glimmen; dan dachten zij aan Deconinck en Breydel en droomden van een bloedige weerwraak.

Terwijl zij op de bewegingen der Fransen staarden, had De Chatillon zijn mannen in dezer voege op de plaats geschikt: een lange rij ruiters stond aan weerszijde; een vendel soldeniers raakte aan beide kanten in het diepe der markt tegen deze ruiters, en alzo was dit deel der plaats gesloten; de andere zijde werd met inzicht opengelaten, opdat de Burgers mochten zien wat er ging gebeuren. Wanneer die schikkingen genomen en uitgevoerd waren, zond men de overige ruiters en soldeniers bedektelijk naar de stadspoorten om dezelve te sluiten en te bewaren.

Mijnheer De Chatillon stond, met enige oversten, te midden zijner ruiters. De Kanselier Pierre Flotte, de Stadsvoogd De Mortenay en Jan van Gistel, de Leliaard, schenen met hem over een zeer aanbelangend voorwerp te handelen; want hun gebaren toonden de uiterste drift. Alhoewel zij zacht genoeg spraken om niet van de Burgers gehoord te worden, konden de Franse Oversten er soms wel iets van verstaan; meer dan een brave ridder bezag het bange volk met medelijden en de verrader Van Gistel met verachting,--want deze sprak tot de Landvoogd: "Geloof mij, Mijnheer, ik ken mijn koppige landgenoten: uw genade zou hun trotsheid vermeerderen. Warm toch de slang niet die u moet steken. Ik weet het bij ondervinding, de Bruggelingen zullen de nek niet buigen, zolang de opstokers onder hen wonen; dit onkruid moet men versmachten of men wordt het nooit meester."

"Het schijnt mij," viel de Kanselier grimlachend in, "dat Mijnheer Van Gistel zijn landgenoten niet zeer bemint; want zo helpe mij God, indien men hem geloven wilde, zou er morgen geen levend mens meer in Brugge zijn."

"Voorwaar, Mijne heren," hernam Van Gistel, "het is de liefde tot mijn Koning die mij deze woorden inboezemt. Ik herhaal het, de dood van de belhamels alleen kan het vuur des oproers in onze stad dempen. De lijst der hardnekkigste Klauwaards heb ik in mijn geheugen; zolang deze muiters in Brugge vrijelijk mogen wandelen is de rust onmogelijk."

"Tot wat getal beloopt die lijst?" vroeg De Chatillon.

"Tot omtrent de veertig," was het koele antwoord.

"Hoe?" viel De Mortenay met verontwaardiging uit. "Gij zoudt veertig dezer Burgers doen hangen? Het zijn deze niet die zulke wrede straf verdiend hebben; maar wel de gebannenen welke zich te Damme ophouden. De belhamels Deconinck en Breydel met hun aanhangers zijn het die zich der dood schuldig gemaakt hebben; maar niet die zwakke Burgers, welke gij om eigen wraak wilt gehangen zien."

"Mijnheer De Mortenay," bemerkte De Chatillon, "gij hebt mij geboodschapt dat zij uw soldeniers geen eten meer wilden verkopen: is dit niet genoeg?"

"Het is waar, Landvoogd, zij hebben die weigering ten onrechte gedaan; het was hun plicht als onderdanen te gehoorzamen; maar mijn soldeniers hebben in zes maanden nog geen betaling ontvangen, en de Vlamingen willen niets dan tegen klinkend geld verkopen. Het zou mij in der waarheid spijten, indien mijn zendbrief zulke beklagelijke gevolgen moest hebben."

"Deze vrees kan de Kroon van Frankrijk zeer schadelijk zijn," sprak Van Gistel. "Het verwondert mij, dat Mijnheer De Mortenay de oproerige Bruggelingen voorstaat!"

De Mortenay werd bij dit verwijt zeer toornig, want Van Gistel had aan deze woorden een honende klem gegeven. De edelmoedige Stadsvoogd bezag de Leliaard met verachting en antwoordde: "Indien gij uw Vaderland bemindet, zoudt gij de dood uwer ongelukkige broederen niet eisen, en ik, Fransman, zou hen niet moeten verdedigen.--En luister! Ik zeg het, dat de Landvoogd het hore: de Bruggelingen zouden ons geen levensmiddelen geweigerd hebben, indien gij de witte penning niet zo onredelijk en zo dwingend had afgeëist. U zijn wij deze onrusten schuldig, want gij zoekt niets dan uw landgenoten te verdrukken, en gij boezemt hun een bittere haat tegen ons in."

"De Heer zij mij getuige dat ik de bevelen van Mijnheer De Chatillon trouwelijk volbracht heb."

"Dit was in het geheel uw inzicht niet," hernam De Mortenay, "maar gij hadt u over de verachting der Bruggelingen te wreken. Een grote dwaling van de Koning onze meester is, dat hij een man, die door iedereen verfoeid wordt, als Tolmeester over Vlaanderen heeft aangesteld."

"Mijnheer De Mortenay," riep Van Gistel met drift, "gij zult mij rekenschap over deze woorden geven."

"Mijne heren," viel de Landvoogd terug in, "ik verbied u elkander in mijn tegenwoordigheid nog te spreken; uw degens zullen uw twist beslissen. Ik zeg u, Mijnheer De Mortenay, dat uw redenering mij mishaagt, en dat de Tolmeester volgens mijn wil heeft gehandeld; de Kroon van Frankrijk moet gewroken worden, en indien de belhamels de stad niet verlaten hadden, zouden er meer galgen dan kruisstraten in Brugge zijn. In afwachting dat ik de ambachten te Damme ga straffen, wil ik deze oproerige stad een streng voorbeeld geven.--Mijnheer Van Gistel, noem mij de acht koppigste Klauwaards, opdat er een spoedig recht gedaan worde."

Ten einde zijn wraak niet te missen liet Van Gistel zijn ogen over het verbaasde volk dwalen en zocht acht der tegenwoordige mannen uit de menigte; vervolgens noemde hij dezelve aan de Landvoogd. Hierop werd een wapenbode voor het volk gezonden. Na hij met zijn bazuin ieder tot stilzwijgen had vermaand, riep hij: "In de naam des machtigen Konings Philippe, onze heer en meester, worden op staande voet voor mij, Veldheer De Chatillon, geroepen en gedaagd, de Burgers welkers namen ik zal afkondigen. Die zich niet zouden aanbieden, zullen met de dood gestraft worden, zonder uitstel en zonder genade!"

De list gelukte ten volle, want naarmate de namen afgeroepen werden, kwamen de Klauwaards uit de menigte op de markt, en begaven zich zonder achterdocht voor De Chatillon; zij wisten wel dat zij niets goeds te verwachten hadden, en zouden zich wellicht door de vlucht gered hebben, ware dit mogelijk geweest. De meesten onder hen waren mannen van rondom de dertig jaar; een enige grijsaard naderde met langzamer schreden en met gebukt hoofd. Een stille verduldigheid blonk op zijn gelaat, zonder dat de minste vrees op hetzelve merkbaar was. Hij bleef voor De Chatillon staan en bezag hem met ondervragende blikken, alsof hij zeggen wilde: wat eist gij?

Zodra de laatste der geroepenen genaderd was, deed de Landvoogd een teken, en de acht Klauwaards werden ondanks hun tegenstand met koorden gebonden.--Een klagend gemor ontstond onder het volk, maar een deel ruiters, die zich dreigend bij de menigte schikten, deden dit gerucht welhaast verdoven. In weinig ogenblikken werd er een brede galg op de Markt gerecht en een Priester bij de veroordeelden gebracht. Op het gezicht van het schriklijk moordtuig, huilden de vrouwen of broeders der ongelukkige Klauwaards om genade, en het volk dreef zich onstuimig opeen. Een suizende zucht, met verwensingen en wraakkreten gemengd, kwam uit de schaar der Burgers en liep als een voorbode des oproers over de Markt. Weldra kwam er een bazuinblazer vooruit en riep: "Het zij u kond gedaan, opdat gij het wetet!--De wederspannige, die het recht van Mijn heer de Landvoogd door roepen of anderszins durft storen, zal aan dezelfde galg nevens deze muitelingen gehangen worden!"

Bij die afkondiging stierven de klachten op alle monden, en de stilte des doods omving het bange volk. De vrouw weende met de ogen hemelwaarts, en smeekte degene, die alleen de mensen nog verstaat en hoort, alsdan dat een dwingeland hun de spraak ontneemt: de mannen vervloekten hun onmacht en blaakten in een koortsige woede. Zeven Klauwaards werden beurtelings aan de galg gehangen en stierven in het gezicht hunner stadgenoten. De droefheid der benauwde Burgers veranderde in wanhoop: iedermaal dat er een van de ladder gestoten werd, bogen hun hoofden zich te gronde, en zij wendden alzo hun ogen van dit ijslijk schouwspel. Gewis waren er velen die deze plaats zouden verlaten hebben, indien zij zich hadden durven roeren; maar dit was hun verboden, en bij de minste beweging welke onder hen omging, kwamen er soldeniers met bloot zwaard om hen tot stilstaan te dwingen.

Nog een Klauwaard stond bij Mijnheer De Chatillon, zijn beurt om gehangen te worden was gekomen, hij had gebiecht en zich bereid gemaakt; echter haastte men zich niet met hem; de Landvoogd had het bevel nog niet gegeven. Onderwijl was De Mortenay bezig met de genade van de grijze Vlaming te verzoeken, maar Van Gistel, die deze Klauwaard een bijzondere haat toedroeg, gaf voor dat hij een der belhamels was en zich het meest tegen de Franse beheersing verzet had. Op bevel des Landvoogds sprak hij de oude Vlaming in dezer voege aan: "Gij hebt gezien hoe uw Makkers om hun wederspannigheid gestraft zijn, gij zijt evenals zij veroordeeld; nochtans heeft de Landvoogd, uit eerbied tot uw grijze haren, u genadig willen behandelen. Hij schenkt u het leven, op voorwaarde dat gij u voortaan als een nederige dienaar van Frankrijk onderwerpt.--Red u met de roep: heil Frankrijk!"

De grijsaard wierp een blik vol verachting en toorn op de bastaard, en antwoordde met een bittere grimlach: "Ik zou dit roepen indien ik u geleek; indien ik mijn witte haren door laagheid kon bezoedelen. Maar neen, ik, martelaar, veracht en trots u tot in de dood.--Gij, verrader, gelijkt de slang die in het ingewand harer moeder knaagt; want gij levert de vreemden het land dat u gevoed heeft.--Beef, ik heb nog zonen die mij wreken zullen, en gij—gij zult op uw bed niet sterven! Gij weet dat een mens in zijn stervensuur niet liegen kan."

Jan van Gistel verbleekte bij de plechtige voorzegging des grijsaards. Nu berouwde hem de wraak, en zijn hart beneep zich met somber aandenken; want een verrader vreest de dood als de wraakbode des Heren. De Chatillon had op de wezenstrekken van de Klauwaard genoeg kunnen bespeuren dat hij hardnekkig bleef.

"Wel, wat zegt die muiter? vroeg hij.

"Mijnheer," antwoordde Van Gistel, "hij hoont mij en veracht uw genade."

"Dat men hem hange!" was het bevel van de Landvoogd.

De soldenier, die het beulenambt bekleedde, nam de grijsaard bij de arm, en deze volgde hem gehoorzaamlijk tot aan de voet der ladder, het duurde nog enige ogenblikken eer de strop goed aan zijn hals gehecht was. Hij ontving de laatste zegening van de Priester, en plaatste eindelijk zijn voet op de ladder om tot de galg op te klimmen.

Maar eensklaps, en in weerwil der wachten, kwam er een onstuimige golving onder het volk. Door een onweerstaanbare drukking bewogen, deinsden enigen tegen de muur der huizen, anderen werden vooruitgestoten,--en een jongeling met blote armen drong door de menigte tot op de markt; zijn aangezicht droeg de kentekens der diepste ontroering, der hevigste woede en der zorgelijkste vrees. Zodra hij zich van tussen de dichtgesloten Burgers had losgemaakt, wierp hij een wilde blik over de markt, sprong als een pijl vooruit en riep: "Mijn vader! O mijn vader, gij zult niet sterven!"

Op het ogenblik dat hij die weinige woorden uitgalmde, toog hij zijn kruismes uit de schede en stiet het tot aan de hecht in de boezem van de beul. Deze viel met een pijnlijke schreeuw voor de ladder, en rolde stervend in zijn bloed; terwijl omvatte de jonge Klauwaard zijn vader, hief hem van de grond en liep met die heilige last tussen het volk. De Fransen waren als verstomd, beweegloze aanschouwers van dit toneel geweest, doch dit duurde niet lang. De Chatillon wekte hen weldra uit de verbaasdheid. Eer de jongeling tien stappen verder gelopen was, hadden meer dan twintig soldeniers hem ingehaald; hij plaatste zijn vader op de grond en met het nog rokende mes bedreigde hij zijn vijanden. Een vijftigtal andere Vlamingen stonden voor hem, want hij was te midden onder het volk, in dier voege dat de soldeniers tussen de menigte dringen moesten om hem te vangen. Hoe groot werd de woede der Fransen niet, wanneer zij hun twintig makkers een voor een te gronde zagen vallen. De messen glinsterden opeens in de handen der omstaande Klauwaards, en de soldeniers werden onbarmhartiglijk gestoken en gekerfd, terwijl er ook al menige Vlaming het leven liet.

De ganse ruiterij bewoog zich eensklaps en rende met furie naar het vluchtende volk, de grote slagzwaarden dreven de scharen weldra uiteen, en de voeten der paarden vertrapten de weerspannigen in een ogenblik. Zij waren nochtans niet zonder wraak gestorven, want zij hadden zich een bed van geslachte Fransen voorbereid. De vader en de zoon lagen op elkander, eenzelfde dolk had hen doorstoken, en hun zielen hadden zich op de laatste reis niet verlaten. Het volk vlood als een rollende stroom, met bang gehuil door al de straten heen: ieder begaf zich in aller ijl naar zijn woning; deuren en vensters werden gesloten, en enige stonden later zou men gedacht hebben dat de stad geen inwoners meer bezat.

Verwoed en razend om de dood hunner makkers, en uit de natuur tot gewelddadigheden genegen, liepen de soldeniers bij hopen met het zwaard in de vuist door de volkloze straten en deden zich de huizen der Klauwaards door de Leliaards aanwijzen. Zij stampten de deuren en vensters aan stukken, roofden geld en goed en verbrijzelden alles wat hun niet kostelijk genoeg of te zwaar voorkwam. De wenende maagden, die men in kelders of andere bergplaatsen kon aantreffen, werden wredelijk onteerd: de mannen, die hun echtgenoten of hun zusters wilden verdedigen, waren weldra door dit razend rot overrompeld en vermoord. Hier en daar, voor de deuren der geplunderde huizen, lagen verminkte lijken tussen het verbrijzelde huisraad; niets hoorde men dan de woedekreten der soldeniers en het gehuil der rampzalige vrouwen. De plunderaars kwamen lachend uit de verwoeste woningen—de handen vol geroofd goud en vol Vlaams bloed! Wanneer enigen, verzadigd van moord en buit, vertrokken, werden zij door anderen nog boosaardiger opgevolgd, en alzo bleven de Fransen een ruime tijd aan dit schandelijk werk: de hele reeks der euveldaden welke een losgebroken krijgsknecht plegen kan, werd door hen uitgeput[86].

In de woning van Pieter Deconinck bleef geen stuk geheel, de muren zelf zouden niet recht gebleven zijn, indien de plunderaars de tijd niet tot meer misdaden hadden gespaard. Een andere hoop liep rechtstreeks naar het huis van de Deken Breydel. In weinig ogenblikken werd de deur op de vloer geworpen en twintig soldeniers traden vloekend in de winkel; zij ontmoetten niemand, alhoewel zij al de vertrekken doorzochten. De kasten werden gebroken, het goud en geld geroofd en dan alles tot gruis vermorzeld.--Wanneer zij afgemat en moede, met een boos genoegen op de puinhopen staarden, kwam een hunner makkers de trap af en sprak: "Ik heb iets op de zolder gehoord, voorzeker schuilen er Vlamingen onder het dak. Ik geloof dat wij daar een betere buit vinden zullen, want het is denkelijk dat zij hun geld met zich hebben."

De soldeniers wendden zich met haast naar de trap: ieder wilde eerst de hand aan de roof slaan, maar de stem van hun makker weerhield hen.

"Wacht, wacht!" riep hij. "Gij kunt er niet aan; de val van de zolder staat tien voet hoog en de ladder hebben zij opgetrokken. Maar dit is niets, ik heb een ladder in de hof zien staan.--Beidt een weinig, ik ga ze halen."

Hij kwam weldra met het werktuig terug en klom met zijn makkers naar boven. De ladder werd onder de val gericht en men poogde dezelve op te heffen, maar dit gelukte niet;--een sterke grendel belette hun dezelve te bewegen.

"Welaan," riep een van hen, terwijl hij een zwaar stuk hout van de vloer opnam, "mits zij niet gewillig opendoen, zullen wij een ander middel zoeken."

Hiermede sloeg hij geweldig tegen de val doch zij bleef even vast en onwrikbaar. Een akelige klacht, een zucht zo pijnlijk alsof het leven met dezelve uit een borst ontvlogen was, galmde op de zolder.

"Ha, ha!" riepen de soldeniers. "Zij liggen op de val!"

"Wacht!" sprak een andere stem. "Ik zal ze welhaast doen verhuizen, wilt mij slechts een weinig helpen."

Zij namen een zwaardere balk en hieven hem gezamenlijk in de hoogte; dan stieten zij met zoveel kracht tegen de val dat de planken losbraken en beneden vielen. Met razend gejuich brachten zij spoedig de ladder aan, en liepen allen naar boven. Hier bleven zij plotseling staan: het scheen dat een zeldzaam en plechtig toneel hun harten had vermurwd, want de vloeken vergingen op hun mond en zij bezagen elkander met twijfel.

In het diepe van de zolder stond een kind, niet boven de veertien jaar oud, met een slachtbijl in de hand; bleek van angst en bevend hield hij dit wapen op de Fransen gericht, zonder dat het minste geluid uit zijn borst opkwam: uit zijn blauwe ogen schoten stralen van wanhoop en heldenmoed. Het was zichtbaar dat een diepe zielroering hem vervoerde, want de spieren zijner tedere wangen trokken zich te samen en gaven hem een ijslijke uitdrukking.--Hij geleek een marmeren Griek, in zulke smalle maat gebeeld.--Achter de jonge beenhouwer zaten twee vrouwen op de vloer geknield: een oude grijze moeder met de handen gevouwen en de ogen ten hemel, en een tengere maagd met hangende haren. Het bange meisje had haar aangezicht in de klederen harer moeder verborgen, de armen had zij als in stervensnood om haar geslagen. In deze houding zat zij roerloos en als zonder leven;--zij zuchtte noch klaagde.

Wanneer de soldeniers van hun eerste verbaasdheid waren teruggekomen naderden zij onstuimiglijk bij deze ongelukkige en barstten in scheldwoorden tegen haar uit. Zij meenden de handen aan haar te slaan, want dit kind boezemde hun geen de minste vrees in.--Hoe werden zij door toorn vervoerd, wanneer de jonge beenhouwer zijn linkervoet achteruit plaatste, en in die vastere houding met de bijl wanhopig rondzwaaiende, hun van schrik deed achteruit wijken. Een ogenblik werden zij in hun misdadige aanslagen verhinderd, totdat eindelijk een van hen op het kind aanviel en hem meende te doorsteken; maar de beenhouwer weerde de degen af, en hakte met wanhopige kracht in de schouder van zijn vijand. Deze deinsde wankelend en viel in de armen zijner makkers. Alsof die slag het vermogen van de jongeling had uitgeput, stortte hij achterover te gronde en bleef gevoelloos nevens de vrouwen liggen. De soldeniers hadden zich ogenblikkelijk om hun gewonde makker geschaard en ontkleedden hem tussen ijslijke wraakkreten en verwensingen. Terwijl weende de oude vrouw in de grootste benauwdheid, en smeekte in de Franse taal om genade.

"O Mijne heren!" riep zij met de armen uitgereikt. "Hebt toch medelijden met ons, arme schepsels als wij zijn! Moordt ons niet om de liefde des Heren!--Aanziet toch mijn tranen en ontfermt u over ons lijden.--Wat geeft u de dood van twee weerloze vrouwen?"

"Het is de moeder van die beenhouwer, die zoveel Fransen te Male vermoord heeft," riep een der soldeniers. "Bij de duivel, zij zal sterven!"

"Och neen! Neen, Mijnheer!" hernam de oude vrouw. "Doop uw handen niet in mijn bloed—ik smeek u, bij de bittere passie onzes Zaligmakers, laat ons leven! Neem alles wat wij bezitten tot u."

"Uw geld! Uw goud!" galmde een stem.

Op deze woorden vatte de vrouw een kistje dat achter haar stond en wierp het naar de soldeniers.

"Daar, Mijne heren," sprak zij, "dit is alles wat ons in de wereld overblijft—ik schenk het u gewilliglijk."

Het kistje viel open en een menigte gouden geldstukken met de kostelijkste juwelen rolden op de vloer. Terwijl de soldeniers elkander wegstieten om de buit te grijpen was er een die het aangezicht van het meisje had gezien; want de beweging der moeder had hetzelve ontdekt. Bij het aanschouwen dier bekoorlijke wezenstrekken drong een boosaardige minnelust in zijn boezem; hij sprong driftig vooruit, omvatte de maagd met een arm, terwijl hij in de andere hand een degen hield, en rukte zijn slachtoffer uit de armen der huilende vrouw.

"Moeder, o moeder!" zuchtte de maagd met stervende stem. Die klacht, op haar lippen vergaande, viel haar hoofd achterwaarts, en haar lichaam hing slap over de arm van de schaker. Door wanhoop en liefde tot haar kind zinneloos geworden, werd de moeder bij een razende furie ontheven: haar ogen zonken diep onder de geholde wenkbrauwen, en vlamden daar als de ogen eens wolfs in de duisternis: haar lippen hieven zich stuiptrekkend op en ontdekten de tanden, alsof de moeder in dit aaklig ogenblik, de inborst ener tijgerin verkregen had. Zij sprong woedend op de soldenier, en sloeg haar armen om zijn hoofd; dan zijn wang in haar hand, als in een klauw, grijpende, dreef zij haar nagelen in zijn aangezicht, en neep hem de wang te pletten: bloeddruppels lekten reeds op zijn kin.

"Mijn kind!" huilde zij. "Mijn kind, o booswicht!"

De nijpingen der razende moeder veroorzaakten de soldenier onverdraaglijke martelpijnen; zijn wezenstrekken gaven dit genoeg te kennen, want de ogen kwamen hem uit het hoofd.--Het meisje niet willende verlaten, bracht hij zijn degen tegen de borst der moeder, en boorde wredelijk door haar boezem. De ongelukkige vrouw loste alsdan de boze vijand, en leunde wankelend tegen het dak: bloed liep over haar klederen, haar ogen verflauwden, haar wezenstrekken verstierven, en haar handen zochten dwalend naar een steun.

De soldenier, die haar dochter in de armen hield, wierp op dit ogenblik het haar van de wangen der maagd,--plaatste zijn mond op haar ontverfd gelaat en zoende haar zo driftig, dat de oren der stervende moeder het geluid ervan ontvingen. Op het gezicht dier schennis kreeg zij het leven terug: zij stond recht zonder ergens tegen te leunen.--Met een vervaarlijke uitdrukking van blijdschap, stak zij haar bevende hand tussen haar klederen, en sprak met doffe stem, terwijl zij naar de soldenier liep: "Gij zult mijn kind niet onteren! Haar ziel zal mij zuiver ten Hemel verzeilen... Daar zie booswicht—nu hebt gij een lijk ..."

Zij stiet het mes dat zij uit haar tas getrokken had, bij herhaalde malen in de borst harer dochter—en meende haar nog eens stervend te omhelzen, maar nu ontgingen haar de krachten met het leven: zij stortte zwaar op het lichaam van haar kind.

Om dit zieldrukkend toneel in al zijn delen te beschrijven, heeft het verhaal langer dan de daad zelf geduurd. Al deze voorvallen begonnen en eindigden in enige ogenblikken; in dier voege dat de andere soldeniers nog bezig waren met het bijeenrapen der juwelen, wanneer de moeder en de dochter deze aarde voor een betere wereld verlieten.

Zodra de uitheemse plunderaars alles wat op de zolder van enige waarde was, geroofd hadden, gingen zij ten huize uit en liepen naar andere plaatsen dezelfde verwoesting hervatten.--De rampzalige Burgers die nu uit hun woningen verjaagd waren, of in dezelve niet meer dorsten blijven, doolden als verloren in de straten en werden door de Fransen met alle smaadwoorden bejegend.--Hoe pijnlijk moest toch de onmacht en de wanhoop voor deze Vlaamse harten zijn! Hoe bitter en hoe nijdig vervloekten zij de naam der Fransen!

Omtrent de middag renden een groot getal ruiters door de stad om de soldeniers weder te roepen; want Mijnheer De Chatillon had geoordeeld dat de Kroon van Frankrijk nu genoeg gewroken was. Er werd uitgeroepen dat men de lijken mocht begraven, en dat iedereen naar zijn woning mocht terugkeren.

Enige Klauwaards, die in het huis van de Deken Breydel gegaan waren, hadden de lichamen der twee vrouwen van de zolder gehaald en vervoerden dezelve op een draagbaar tot aan de Dampoort. Hier was nog een treurig toneel te zien, dat het hart fel mocht schokken. Duizend wenende vrouwen, huilende kinderen en stramme grijsaards baden geknield om de stad te mogen verlaten; doch de soldeniers, wie het bevolen was de poorten gesloten te houden, luisterden naar geen smeken, en antwoordden met bittere scherts op de tranen der benauwde Burgers. Wanneer zij aldus een ruime tijd nutteloos gebeden hadden, kreeg een der vrouwen het gelukkig gedacht haar juwelen aan de wachten te geven. Door vele anderen werd zij hierin nagevolgd, en weldra lagen er kostelijke halssnoeren, haken en oorbellen, met andere rijke sieraden, in een hoop voor de poort.

De soldeniers grepen met drift naar die zinnenstrelende voorwerpenpen beloofden de poorten te openen, indien men hun al de juwelen wilde schenken.--Met haastigheid wierpen de vrouwen geld en goed te gronde, en de poort werd geopend.

Een blij gejuich begroette deze gelukkige verlossing: de moeders namen hun kinderen op de arm, de zoon ondersteunde zijn vader, en zo liepen zij stromend door de poort.--De mannen die de lijken der moeder en der zuster van Jan Breydel droegen, volgden de anderen in de vlucht;--en achter hen sloot zich de stad weder toe.