De komedianten · Louis Couperus

Chapter 19: Hoofdstuk 19

Toen volgde er een vreemde, slepende maand. Het was nog zomer, September, en Plinius toefde nog in Toscane, maar Hermes had, op bevel van zijn meester, den dominus en wie van zijne caterva over waren, huisvesting aangeboden in de villa aan zee, bij Laurentum. En zij waren daar te zamen, aan het strand, de dominus zittende mismoediglijk op een stuk rots, waar de middagvloed om schuimde, om zich, op het strand, de tweelingen en de twee gladiatoren.... Onder de puinhoopen van het huis was ook de "paraziet" gevonden maar met gebroken beenen en hij werd ook in de villa verzorgd en de dominus had hem met manumissio "vrijgelaten", maar hoe zoû hij voortaan, vrij, geen slaaf meer, geen komediant meer, zijn brood verdienen, als Plinius hem niet meê zoû laten eten met zijn eigene slaven?? En mismoedig zat de dominus: geruïneerd was hij, als hij zeide: zijn caterva bijna geheel verloren door de vreeslijke ramp: o, hoe zoû hij er ooit boven-op nog komen! Zijn eerste razende wanhoop was tot deze gelaten mismoedigheid vervallen; nu hoopte hij op niets meer, nu bezat hij nièts meer, hoe goed de edele Plinius ook was! En de beide gladiatoren, Colosseros en Carpoforus, die zoo goede vrienden waren geworden, poogden den dominus moed in te spreken, maar hij schudde mismoedig het hoofd, tot eensklaps Cecilius in viel:

--Dominus.... We hebben je nu de heele maand hooren jammeren....

--.... ja, jàmmeren, viel Cecilianus in. Maar je moest nu eens naar ons luisteren....

--.... naar òns luisteren, poogde Cecilius zijn broêrtje, als een vlieg, het woord af te vangen. Je zegt, dat je niets meer hebt, maar....

--Maar je hebt òns, wist Cecilianus Cecilius snel in de rede te vallen. Zijn wij dan niets....?

--Verbeeldt je, dat wij niets zouden zijn....!

--Ik heb toch geen troèp meer!! riep de dominus. Wat kan ik doen met jullie alleen! De Spelen, die de oude Sextilianus woû geven, zijn al afgesprongen, omdat ik niet aan mijn verplichtingen kon voldoen....

--Maar de Spelen in Neapolis....

--En in Syracuze....

--Kunnen doór....

--.... dóór gaan!! beweerden de jongens, die het klaarblijkelijk geheel met elkander al eens waren.

--Door gaan? vroeg de dominus verbijsterd, terwijl ook de gladiatoren niet heel goed wisten hoe ze het met de jongens hadden.

--Door gaan!! meenden Cecilius en Cecilianus beslist.

--En mag ik de heeren eens vragen: hoè?? vroeg de dominus met ironie.

De jongens, in het rosroode zand, schoven dichter om hun dominus, die op den rots zat. Ook de gladiatoren, nieuwsgierig, schoven nader. En de jongens, den eenen wijsvinger tegen den andere gelegd, somden dien armen, radeloozen dominus hunne bewijsredenen op.

--Dominus, zeide Cecilius: je hebt crediet....

--.... Crediet, bauwde Cecilianus na; zij lagen beiden, aan des dominus' voeten, die van den een naar den ander zag.

--Crediet? vroeg de dominus.

--Je wisselaar in Alexandrië heeft zich van kant gemaakt, zei Cecilianus; maar dat heb ik wel altijd gedacht, dat die....

--Ja, dat diè op een goeden dag er op de een of andere manier van door zoû gaan, viel Cecilius in. Maar je hebt anders nog wàt aardige sommetjes liggen....

--In Antiochië....

--In Syracuze.... En de wettige bewijzen daarvan....

--Ja, de wèttige bewijzen, was Cecilianus er heel snel bij.

--Ben je zoo verstandig geweest aan den edelen Plinius, je patroon....

--Ja, je patroon ter bewaring te geven, voor dat het huis....

--Vóor dat het huis instortte....

Zij keken beiden hun dominus zegevierend aan.

--Wat meenen jullie? vroeg Lavinius Gabinius, met blik van den een naar den ander.

--Daarbij....

--Daarbij, gingen die "dondersche jongens" voort.

--Heb je den edelen Plinius, je patroon, die je niet....

--Neen, noóit in den steek zal laten....

--Wat meenen jullie? vroeg weêr Lavinius Gabinius.

--Dat je een nièuwe troep, zei Cecilius.

--Moest koopen, zei Cecilianus.

--Of....

--Of....

--Minstens huren, bauwden ze, zakelijk, eensgezind, steeds aan des dominus' voeten.

--Niet je kop laten hangen, dominus....

--Verbeeldt je! Waarom zoû je je kop laten hangen.... We koopen nièuwe komedianten, zei Cecilius.

En Cecilianus meende:

--Of we huren er....

--Ja, we huren er! was Cecilius het eens met zijn broêrtje.

--Wè, wè! zei de dominus.

--Natuurlijk, wè! zeiden de jongens verontwaardigd. Denk je, dat wij....?

--Dat wij....?

--Ons als je slàven beschouwen??

--We dènken....

--Neen, we denken er niet aan! We zijn toch je kinderen?

--Je jongens?

--Denk je, dat wij ons beschouwen als....

--Als....

Ze keken elkaâr aan en proestten het uit van het lachen.

--De kinderen van....

--Van....

--De edele Crispina!! schaterden zij het uit.

--Dondersche jongens! riep de dominus uit. Hoe weten jullie?

--Hoe we het weten....?

--Dat komt er niet op aan!

--Hoe lang weten jullie....?

--Hoe lang we het weten....? Dàt komt....

--Neen, er niet op aan!

--Ik heb ze nooit iets gezegd, zei Colosseros, verbaasd.

--Ik ook niet, zei Carpoforus.

--Ze weten altijd alles, verzekerde de dominus. Ze weten precies wèlke "aardige" sommetjes ik in depozito heb gegeven in Syracuze en Antiochië, voor mijn ouden dag, als ik lekker en lui dacht te leven.

--Lekker en lui? riepen de jongens. Je bent toch nog geen oude senex??

--Al ben je niet meer een adulescens!

--Mijn arme adulescens!! jammerde de dominus. Hij was een uitstekende komediant en de vrouwen, ach, die mochten hem zoo gaarne! Juist die onheilsnacht was hij terug van zijn patricische beschermster! En dan mijn twee "grijsaards": de een wordt waarachtig Christen en de ander gaat er van door! En mijn "paraziet", o Bacchus, mijn "paraziet" ligt met gebroken beenen!!

En Lavinius Gabinius sloeg de handen wanhopig op en schudde jammerlijk met zijn hoofd.

--Niet jammeren! Niet jammeren! bezwoeren de tweelingen bijna imperatief. Je mag niet jammeren, hoor!

--Je hebt òns toch gehouden! zei Cecilius.

--Tel je dat heelemaal niet? vroeg Cecilianus.

--Als je nog niet dadelijk alle noodige komedianten kunt koopen....

--Of huren....

--Dan kunnen wij immers....

--Wij....

--Alle rollen, die je niet bezetten kunt....

--Als je ze niet bezetten kunt....

--Spelen....

--Ja, spelen....

--Adulescens, senex....

--"Paraziet"....

--En Syrus, dien hèbben we als "slave"-rol.... Waar zit die toch??

--Syrus!! riep Cecilius.

--Syrus!! riep Cecilianus hooger. Kom toch hier! We bespreken hoe we een nieuwen troep....

--Zullen samen stellen!! schreeuwde Cecilius, handen aan mond naar Syrus, die aanslenterde, uit zijn celletje.

--En dan, zei Cecilianus. Hebben we nog Afer!

--Ja, Afer!! juichte Cecilius.

--Om de komedianten, als ze slecht spelen, op....

--Op hun dònder te komen!! viel Cecilius vol geestkracht uit.

--Ja, dominus, je bent soms wèl wat zwak....

--Op hun dònder moeten de komedianten meer hebben!

--Op hun dònder?? vroeg de dominus verbijsterd, blikkende van den een naar den ander. De gladiatoren hadden schik in de jongens: zij bulderden van het lachen.

--Op hun dònder, beaâmden de beide jongens. Syrus, zei Cecilianus....

--We gaan een nieuwen troep koopen....

--Of huren....

Syrus werd ingewijd in de plannen....

--Het is waarachtig wel een geniaal denkbeeld, dominus! bewonderde Colosseros.

--Er is over te denken, gaf de dominus toe. Er is, bij Herkles, wel over te denken....

--Natúurlijk is er over te denken! riepen de jongens te zamen uit.

--We gaan naar Neapolis, hoor....

--En naar Syracuze....

--En naar Karthago!! jubelden zij te gelijker tijd.

--Dan zie ik jullie niet weêr, zei Carpoforus.

--Als we terug komen, toch wel? zei Cecilianus.

De Jager schudde het hoofd.

--Neen, mijn kind, zeide hij. Als je weg gaat, zie ik je niet weêr.

Zijn stem klonk heel droevig uit zijn ruw baardigen mond.

--Carpoforus, riep Cecilius op eens. Heb ik je wel ooit bedànkt....?

--O ja, zei Cecilianus; dat je naar den Keizer....?

--Voor hèm....?

--Voor mij bent gegaan?

--Ja, ja, zeide de Jager. Ja, zeker, jongens. Kan je komedianten in Rome huren, dominus?

--Dat zoû wel gaan, zei de dominus, zwaar in gedachten verzonken. Lentulus en Latinus hebben een paar goede komediante-slaven voor het exodium-spel, die ze me misschien voor de tournée zouden kunnen verhuren. Maar een adulescens! Een senex!! Een "paraziet"!

--Die vinden we wel!

--Ja, die vìnden we, dominus....!!

De jongens waren opgetogen. Ze stonden op: ze wilden dadelijk naar Rome, naar Lentulus en Latinus, de beide "beroemden" opzoeken.... Zij renden naar den stal, om hun ezels te zadelen.

--Gaan jullie meê? vroeg de dominus aan de gladiatoren.

--Gaan we meê, Jager? raadpleegde Colosseros den lanista.

--Wij komen wel later, dominus, zei de Jager. We zien elkaâr wel bij Nilus.

--Van avond? Met de cena??

--Ja, ja....

--Die dòndersche jongens!! juichte de dominus. Je weet nóoit welke invallen ze plotseling krijgen! Maar waaràchtig: een nieuwe troep: er is wel over te denken....

Hij rende ze achterna, om zijn muil en gebood:

--Syrus, zadel jij vlug mijn muil eens!

Toen zeide Colosseros tot zijn vriend:

--Jager! Waarom kijk je zoo somber....?

--Om niets, zei de Jager, ontwijkend.

--Zeg je het mij niet, Jager?

Toen zeide de Jager het.

--Als Cecilianus.... begon hij.

--Nou, wat??

--Uit Rome weg gaat.... is het met mij gedaan.

--Gedaan??

--Hij heeft me geluk aangebracht, sedert hij zijn oogen opsloeg voor we de portiek van Octavia binnen kwamen.... Toen ik hem droeg.... nadat hij flauw was gevallen.... om den beer.... op den eersten dag der Megalezia....

Colosseros zag zijn vriend verschrikt aan.

--Was dat werkelijk zoo? vroeg hij.

De Jager knikte.

Colosseros zeide niets meer, vol sombere peinzing plotseling over zijn jonge, blauwe jongensoogen. Hij zeide niet, dat hij een zelfde talisman meende gevonden te hebben in Cecilius.... Daar ginds, door de uitgang der villa, zagen zij reeds den dominus, op zijn muil en hem ter zijde bereden de jongens hun ezeltjes, die zij zoo erbarmingloos spoorden, dat de beesten met de achterpooten achter-uit sloegen; de jongens schaterden dan van de pret.