De komedianten · Louis Couperus

Chapter 13: Hoofdstuk 13

De dominus hoorde er van door den decanus, die boodschap zond. En hij kwam meestal 's avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens van bombyx en hun kamer was bijna even zoo mooi als hun exostra-kamer in de Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen, te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed, waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenen hooren. Omdat ze zich zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo iets dreigends: dat gaf ze een rilling. 's Nachts werden ze wakker en luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken, zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten, en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat de gladiatoren ook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene, wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde en de dominus vertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene, wip over het andere muurtje....

Maar op een avond, einde van Mei, vond de dominus bij de Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten: de decanus drukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg zou zijn....

--Wat is er? vroeg de dominus, ontsteld.

Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei de decanus het.

--Het schijnt, dominus, zei de decanus; dat Cecilius van daag bij den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet.... De Keizer is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of hooren fluit spelen....

--Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was ook ongerust....

--Cecilius! stamelde doodsbleek de dominus. Cecilius bij den Keizer! Hoe is dat gebeurd?!

--Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen 's morgens in ons kamertje—het was zoò vervelend en je weet nooit wat te doen—en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê te komen. Ik vroeg, of ik dan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.

--Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.

--Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk, die edele Crispinus.

--Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....

--En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....

De Prætorianen poogden te lachen.

--Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!

En hij snikte het uit, terwijl de decanus hem troostte.

--Neen, neen, zeiden de soldaten.

--Decanus, zeide de dominus bleek; ik moet oogenblikkelijk de edele Crispina spreken.

--Dominus, zei de decanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen naar Crispina's huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon zijn te wippen....

Den volgenden morgen, vroeg, kwam de dominus terug. De verwisselde wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met den dominus meê, om hem aan te kondigen.

Crispina ontving hem in het atrium.

--Domina, zeide de dominus. Ik heb gehoord....

--Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.

--Dat doet er niet toe, zei de dominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.

Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.

--Welk contract? vroeg hij.

--Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract, tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven, zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der beide jongens.

--Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!

--De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op veilige plaats.

--Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een contract geteekend?!

--Ja! bekende zij, rillend van angst.

--Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!

--Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan den dominus betalen.

--Tweehonderd-vijftigduizend, domina, zei de dominus koel.

--Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?

--Lees uw contract nog eens over, zei de dominus. Er staat duidelijk in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus, wordt hun dominus toe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....

--Toòn dat contract! raasde Crispinus.

--Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.

--En Labienus Posthumus, zei de dominus.

--Toòn dat contract! raasde Crispinus.

Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract: Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....

--Het staàt er! raasde hij. Jij, jij bent gèk, jij komediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen! Dominus, ik verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan niets doen zonder mij....

--Verscheur het, edele Crispinus, zei de dominus. Verscheur het. Ik heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: de prætor, de ædilen, de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen hier op den Palatinus te verhuren; het geld heeft mij verleid, maar zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent, offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.

--En als die gelden verbeùrd worden verklaard??

De dominus slaakte een minachtenden grinnik.

--Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen, dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome heen. Pas òp!!

En de dominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijn grex, den Egyptischen gunsteling-in-ongenade.

Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het contract langzaam op.

--De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat is alles....

--Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.

--Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens wilde zien dansen. "Ja", zeide hij: "de eene. De oudste. Later de andere...." Keizerlijke gunst, dominus, is niet te verwerpen, ook niet voor een komediant....

Zij zagen elkander met woedende oogen aan.

--Domina, zeide de dominus; ik wensch Cecilianus te zien.

Zijn toon was hoog, als van een meester.

--Kom meê, zeide Crispina.

Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij opende hem de deur van het sierlijke kamertje.

--Cecilianus, zeide zij zacht; hier is de dominus.

De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.

--Wat is er, kind? vroeg de dominus.

De jongen bewoog niet....

--Ben je ziek?

--Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.

Cecilianus kreunde.

--Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder de dominus.

--Ik ben ziek.... kreunde de knaap.

--Sta je niet op?

--Ik kan niet....

--Wat heb je?

--Ik weet niet.

--Sta dan op....

--Neen....

--Je broêrtje komt gauw terug....

De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af en weende....

--Wat zoû je dan willen? vroeg zij.

--Mijn broêrtje.... kreunde hij.

--Hij komt gauw terug, verzekerde de dominus. Maar je moet niet ziek worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr bij ons, achter de Suburra....

--Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....

--Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.

En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling, als een koorts, liep hem telkens en telkens over.

--Het is hier kil, zei de dominus. Laten wij hem meer naar de zon toe leggen.

De zon scheen schuin in het atrium. De dominus wilde het bed met den zieken knaap naar de zon toe schuiven....

--Neen, kreunde Cecilius....

--Waarom niet? vroeg Crispina.

--Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....

En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in de armen hield omvat....