Camera Obscura · Hildebrand

Chapter 29: De Noordhollandsche Boerin

Een flink wijf is Gees Riek, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags" zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder "ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen, en Gees allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang, die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer (vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere, spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever, als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje; het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt, van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd.

Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke waarde.

Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven in de schatting van Dries Riek, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg, na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste keezer niet—maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij ook niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur."

De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is keezen, keezen, altijd keezen, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene) een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe.

Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet, kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen, de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt: het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en het koper glad van 't schuren. En Gees zelve! laat zij vrijelijk voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren, waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin, of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins, dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning, waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij: een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan, waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn, om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar de zon op staat.

Gees is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft, die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar Dries, binnen 't jaar met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat zij volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben.

De wijze nu, waarop Dries Riek zijn Geesje vrijde en trouwde was een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond opgeschreven, aldus:

"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zel 't gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen, weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer—die was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk, jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou, 's zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik toe kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag; gnap hoor—Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht bedoelende--"de witkoppen te bedotten, da's geen duit weerd. Altijd 'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter."