Vooruitgang [23].
Klein, klein kleuterken.
Wat doe jij in me hof!
Je plukt men al de bloemkens of
En maakt het veel te grof.
Oud Deuntje.
Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven, aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde, in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader Jacob en zijne kindertjes" is een heel mooi boekje; "de Brave Hendrik" is allerbraafst; maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als: "Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch; zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep het verschrikkelijke van het "Zuster Anna, zuster Anna! ziet ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere; eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen, mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam, dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte, en haar voedsel gaf?
En nu—waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet [24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen, naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij altijd leerzame jeugd en here kinderen genoemd. Men weet niet dat, ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van Van Der Palm tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen" [26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.
Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is, dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is mooi, het is verstandig. Het is beter.
En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme, of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig, al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen, blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt, dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel wil hare verschrikkingen hebben. Het wonderbaarlijke—hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor mij lees Swedenborg liever dan Balthazar Bekker. Gij doorbladert de Mille et une nuits met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien; gij zijt de vrijwillige dupe van eenen Faust, eenen Samiël, en een Cheval de Bronze. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster, aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre, ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden zijn als gij kinderachtig zijt?
Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen, dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst bevolkt—en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn?
Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend, l'Heureux temps que celui de ces fables! riep Voltaire, en het ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen, aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats van wonderdieren en wonderkrachten—natuurlijke historie en physica; in plaats van tooverij—goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer, in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende, naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen, geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le Baron De Buffon en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën, is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman kunnen zijn: Nera, of de laatste der Zeemeerminnen. De familiehaat tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is geen visch, en Jona heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen hunne zwakke ouders niet, als Aeneas, op den rug; de olifanten gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden, familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers, ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.
Göthe (of een ander, maar ik meen, dat het Göthe was) sprak uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn banvloek trof. Ons oog, dacht Göthe, of die andere, ons oog en ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen, ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging, afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden [27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt, dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent, waarbij die van Hatem, wiens tent honderd poorten had, niets is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende kracht—de onverbiddelijke wetenschap zegt het—beletten het u. Zalige tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon, zuiver, alleen zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten, en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar liever aan de "Edammer Seemaremin!"
Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid, hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen aan een Sardanapalus recht laten wedervaren en veranderingen maken, niet minder gewichtig dan die van den Médecin malgré lui, als hij het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste—maar, bij voorbeeld! De ton van Diogenes is een klein hutje geworden: alsof de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter wereld. Van de wolvin, die Romulus en Remus zoogde, is een gemeen vrouwspersoon gemaakt. David was zoo klein niet, en Goliat niet zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van Erasmus zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was; de pannekoeken die czaar Peter te Zaandam at, waren zoo'n gemeen gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen, welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen te rectificeeren! Leonidas verdedigde Thermopylae wel met slechts driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij, dat geen Spartanen waren; in plaats dat St. Ursula met elf duizend maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen als wij medelijden hebben, b.v. met Tasso en Petrarca, door te zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere was niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen, iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou er bij kunnen schreien—Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een Koning en eene Koningin ..."
Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij, die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het Held- en Wijze- zijn geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje, een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het is onbillijk.
"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren," enz.
Het Water
Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van Newton en Herschel, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die komeet van Halley", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar) over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie bloeiende viooltjes plukte—toen begon ik in den man met den langen blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem: "die komeet van Halley zal het hem gedaan hebben".
Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en, indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt, het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch op den winter van Vijfennegentig, "toen er nog zoo geen kachels waren", en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er van de veertig jongens maar zeven school kwamen, van welke ik er één was, wien de lofspraak, die het mij van den meester bezorgde, op een bevroren neus te staan kwam; om niet te spreken van een "kaartje van vlijt", dat mij ontging, omdat mijne handen veel te rood en veel te koud waren om een mooi middelmaat schrift te schrijven, op en tusschen de lijn, met zuivere ophalen, en zonder aandikken. Helaas! ik heb het in het schrijven nooit heel ver gebracht; daarom laat ik nu ook maar drukken.
Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje gemakkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur in de koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm verhevens. Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden gedoogen, hoe zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is schoon! Een heldere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de zon met licht vergoeden wat zij aan warmte onthoudt. Een heerlijke noordsche dag;
"Een telg der zon in sneeuwkleedij."
Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afgeschud; maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare reeks grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre verschiet: hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen den azuren hemel! ... Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet ik het zeggen? Het is—het ijs!
Een heldere, frissche, noordsche dag doet een mannelijk bewustzijn van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft een edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet ook wel, wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortgebracht; welke gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden er van het frissche Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het forsche Noorden heeft ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuwvlok in den baard te voelen en den hagelsteen te hooren kletteren op het harnas, met
"daden in de vuisten",
uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik eer de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze sneeuw;--maar het ijs—o, vergun mij het ijs te haten!
De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmogelijk, of het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning, alle vlijt, iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat men in den winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard! die dierbare haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden! Vurig voorwerp der vurige liefde van huismenschen en huisdieren! Onderpand en outer der huiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van uwe bekoorlijkheden, van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe, wakke, flauwhartige, waterzuchtige winters! Men verachteloost, men vergeet, men spreekt kwaad van u. Tweemaal in de week wil de schoorsteen niet trekken; zesmaal in de veertien dagen is het hout te vochtig om te branden; dagelijks zijt gij als een twistappel in de huisgezinnen, als de een u te warm, de ander niet warm genoeg aangestookt acht. Maar nu, gij wordt, van een noodzakelijk kwaad, een onbeschrijfbaar geluk, van eene gedoogde dienstbode, een gevierde prinses! Men moedigt u aan, men prijst, men verheft, men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan men u zitten aanstaren! Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelingsschrijver in de hand en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd des middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is zalig—Maar het ijs, het ijs! ... Waarom ijs?--Ja, het ijs is voor mij een voorwerp van afschuw. Het moest winter kunnen zijn zonder ijs. Ik bemin den winter,--ik gevoel, dat ik den winter noodig heb; ik zie veel minder tegen het korten der dagen dan tegen onze natte schrale voorjaren op—maar noch het glas water, dat ik elken avond op mijne nachttafel gereed zet, moest stollen, noch de lieve breede vijver, waar ik hier het uitzicht op heb—mijn mikrokosmos, noch mijn makrokosmos—moest bevriezen! En waarom niet? Ach gij zoudt de vraag niet doen, zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere, levende water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten het mij toespiegelt,--hoe teeder ik het bemin.
Cooper verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er éénig land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland, en dan ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre gaat mijn hartstocht niet. Het is het vaste land, dat mij het water te meer doet waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed, die aller zeeën en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat zou wezen te blusschen.
Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld uit de hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een majestueus gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden gescheiden; de lucht dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim wijd en zijd mede. De harde rots siddert, en geheele brokken worden afgescheurd; de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte vederen, en ploft ze neder in de diepte, waar alleen hij ze kan oplichten. Water! gij zijt de sterkste, de krachtigste, de edelste der vier hoofdstoffen! De Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is als de donder, uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als bezield; gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang: als eene bevallige schoone, als een ontstuimig ros, dat struikelblok acht noch slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij blinkt als een edel metaal, met maagdelijk smettelooze reinheid! Uwe veerkrachtige oppervlakte werpt de vermogende stralen der zon terug, en doet het trillend geluid huppelen naar uwe maat! Het Vuur is afhankelijk van voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en u-zelf genoegzaam, ja, gij vernietigt zelfs het vuur, waar het (te vroeg!) naar de oppermacht staat over al de elementen! Schiet heen, koninklijke bergstroom! schiet heen en heersch, vervul de dalen, splijt de heuvelen, spot met den trots en het zelfvertrouwen der vaste stof! Richt uwen weg werwaarts gij wilt! Zwel schuimende, verbreed u bruisende! Word gevreesd en geëerd! En leg u dan ter ruste in den schoot des breeden oceaans; hij alleen is uwer, gij zijt zijner waardig! Gij beiden zult leven tot "de hemelen met een gedruisch zijn voorbijgegaan en alle hoofdstoffen branden zullen en vergaan".
Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Gij dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de kinderen der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Dáár is woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen, door u gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt! Wel moogt gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels weerspiegelen, gij weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste bloemen nedervallen aan uw oevers, de weelderigste takken der schoonste boomen hun lommer over u uitbreiden, de geurigste kruiden van wederszijden u toewalmen! Geen olmekruin toch spiegelt zich in uw o helderheid en geene lelie buigt zich met Liefde, naar uwe frissche rimpeling, of zij groeien en bloeien door u! De wijnbergen aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende trossen, en de goud-gele oogst bootst het gedruisch uwer golven niet na, dan als een hulde, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde goeddoende en waar gij de oorden in liefde omhelst, daar baren zij welvaart en vruchtbaarheid, schoone dochteren, op hare beurt moeders van vrede en geluk!
Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier over hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en vroolijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit; maar het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter terugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende van het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en de zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het blauwe rookwolkje geestig en langzaam opstijgt, en in de lucht vervloeit; de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad nemende op gindsche zandplaat,--het wordt alles getrouw verdubbeld door het klare vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp schooner glanzen. Kunt gij den lust weerstaan met mij in dit bootje te stappen?--Reik mij de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk tooneel brengen. Een oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke stilte afbreken, een oogenblik de effenheid gestoord worden, en dan zullen wij ons op den stroom laten drijven. O wellust! te drijven, te vlotten, zich te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf onder de golven, zich over te geven aan den vriendelijken Geest der wateren, wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie, nu is het hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven het gelukkig middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat gij uwe luite bij u haddet. De zachte melodie is het liefelijkst op het water. De malsche noten vallen er op neder als dons; en zacht, als de boezem eener vrouw, heft het water ze op; en verzoet, maar versterkt, als verkwikte hem die aanraking! zweeft de toon van rimpel tot rimpel, van golf tot golf, en vervult beide de oevers met den wellust des geluids. Waarlijk, het water is bezintuigd, is gevoelig; het bemint al het schoone: het welluidend toongeruisch, de zachte kleurschakeering, den zoeten geur. Ik zou den riem niet met woestheid kunnen bewegen, noch onnoodig rumoer maken in een element, zoo aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele water, het doet de aarde leven; het verheugt ieder landschap, het is het schoonste sieraad aan het weelderig kleed der aardsche schepping!
Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan uwen boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe effenheid en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heerlijke vloed! is er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend en verlokkend spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, op den alleruitersten rand des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en weemoedig gepeins. En telkens als het windje zich verheft en in den stroom een stroomender plekje vormt, is het alsof de lokstem inniger en verleidender wordt. En het oog volgt uwe oppervlakte, tot waar zij met de geheimzinnige schemering ineensmelt, en duizende gedachten, duizende herinneringen golven af en aan met uwe rimpeling. Het is een wellust.
Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, liefste aller vijvers! gij weet, of ik u liefheb. Thans!--(helaas! ik schrijf dit alles bij een groot kolenvuur!)--thans zie ik treurig naar u uit!--Gij zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor weinige dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe golving, en de groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van acacia's en beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en met welgevallen rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders en duiven plachten uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw vocht. Helaas! wat is er van u geworden? Wat anders zijt ge nu dan
"'t Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon"?
Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof, als de logge aarde. Shakespeare noemde het water valsch, maar hij lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit niemand met de onmogelijkheid van gevaar, die het waagt zijn heiligdom in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is.--Het ijs! O, het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met een woord te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren verschuldigd ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordeeling uitspreekt; het ijs is hybridisch!--Ik wenschte dit zelfde wintertooneel te zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de natuur schoonst en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doch werwaarts ik mijne oogen wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner liefde; het ligt onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en ijdele slaven van het vermaak dartelen over dat graf!
Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschilligheid en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn voet zal u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne zolen met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwijden van mijn dierbare! Lig dáár, en mest u met het kostbare bloed der aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe afkomst verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Roem vrij op uwe sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden. Ik zeg u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren kerker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne!
En laat ons nu nog eens stoken.
Buiten, 9 Jan. 1838.
Begraven.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan uwen wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd komen dat het daar nederligt—nederligt op een bed, hoop ik!--, zielloos, koud, stijf, in een enkele doodswa gehuld, onder een lang wit laken—als een steen. Het is nu nog het uwe: het zal dan het uwe niet meer zijn. Gij zijt dan niet meer een persoon, maar een ding. Men staat er bij, liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet dan weenende het kunnen gadeslaan, niet dan weenende er van kunnen scheiden, zij schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel eer te bewijzen aan een onding, dat reden en godsdienst haar leeren geringschatten. Maar neen! zij schamen zich niet—de menschelijkheid zou er tegen opkomen: de liefde ziet hem, dien zij heeft liefgehad, nog in zijn lijk; beminnelijke liefde!--Men strekt u eerbaar en voorzichtig uit. Zoo men u aanraakt, om te voelen of gij reeds koud, en hoe koud! gij zijt, men doet het met eene zachtheid alsof gij sliept, alsof men schroomde u wakker te maken! Men spreekt niet dan fluisterende in de sterfkamer. O! voor wie u teeder beminde, is het eene behoefte het doove lijk nog eens bij uwen naam te noemen. Zachtkens en met eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf neder. Statig voert men u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet men de kist nederdalen. Met plechtigen ernst wordt de schop aarde er op geworpen. Dan eerst heeft men met dat doode lichaam gedaan.--Maar neen! wellicht schrijven achting of liefde een kort woord op uwe zerk, of planten zij eene vriendelijke bloem op uwe zode, en komen van tijd tot tijd weder, om te zien waar men u gelegd heeft en uwer te gedenken op de plaats, waar gij niet zijt, doch waar datgene rust wat men het langst van u behield; waar de menschelijkheid van u afscheid nam.
Ik weet wel, dat het tot de verstandigheden onzer dagen behoort, dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft zoo veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest bewijst, wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: "het is mij om het even wat er na mijn dood mei mijn lichaam gebeurt, ik zal er niets van voelen: om het even waar het liggen zal, ik zal er niettemin dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van belang wezen, dat mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar, wat raakt dat mij?"--Ik weet, dat men den Engelschman bewondert, die wilde dat er, ten algemeenen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne ingewanden zouden gedraaid worden—maar ik gruw er van. Ik weet, dat het vrijzinnig beginsel in dezen zoo sterk is dat het reeds op onze publieke inrichtingen gewerkt heeft, en de zaak der dooden "minder omslachtig" is gemaakt;--ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen nalaten van den rouw in verband staat, en dat men zijn manlijkheid toont door te zeggen: "ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als ik sterf";--maar ik beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en zichzelven zoo menig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche leven, door eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen hoofd en hart; en ik spreek mijn "wee!" uit tegen die groote mannen, die de wereld zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij hen, door wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des gevoels zóó ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang op eens anders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend hadden, en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïsten, en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt, de seraf naar huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak verkocht; de lange witte zakdoeken werden gemeen; men zag nauwelijks om naar zijn eigen dooden; en daar hadden wij A + B = C. De thermometer daalde van Bloedwarmte tot Vorst. Het sneeuwde groote ideeën. Het was een frissche, maar op den duur onaangename koude.
Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote mannen ze uitspreken. Byron mocht, onafhankelijke genie die hij was, en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen:
"Ik wil niet dat mijn stervensmaar
Een enkel uur van vreugd bederf,
Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf
Zal siddren bij mijn baar;"
schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende "O, weggerukte in schoonheids bloei", leze.--Maar dat ieder schoolmeester en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil opheffen—zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en ongelukkig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als men de goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen dat mijn menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen diep, die de vriendelijke leer van 't Evangelie zoo weinig verstaan.
Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd worden. Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen glimlach.--Zoo? Gaat u bij uw leven niets aan van hetgeen na uwen dood geschieden zal? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der uwen u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der nakomelingschap, waarvan gij niets hooren. niets ondervinden zult, u geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver, een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden die de weg des roems u opwerkt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo gij u dáár over heen gezet hebt—eilieve! zeg mij eens oprecht: verheugt het u wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal komen van dien uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw dood, de ring, dien gij daar aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan die welbeminde hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw zoon in uw huis zal wonen, in uwen armstoel zitten? dat uwe familie u zal zegenen om de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee gij over het uwe hebt beschikt?--Verhard uw gemoed eerst tegen al deze aandoeningen, en zeg dan, dat bij den dood alle gemeenschap tusschen u en uwe naasten ophoudt, en dat het u om het even is, hoe zij bij uwe sponde staan, wáár zij uw lijk begraven zullen!
Mij is het eene aangename gedachte—en mij dunkt, zij zal mijn sterfbed zachter spreiden—te mogen hopen, dat een vriendelijke, een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen; dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed, zal naderen, "om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te laten vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen, ook van dit nietsbeteekenend overschot: en dat men mij met ernst en plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar, als de rustplaats van dierbaren.--Ja ook dat! ik gevoel het, ook dat zal mij een troost zijn, te weten dat, uit wier armen mij de dood ook seheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,--dat één zelfde graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treurende overleven moesten, zal besluiten; dat wij daar allen te zamen zullen rusten... O, het is niets, het is niets! ik weet dat het niets is; maar het is eene zoete gedachte,--en ik bid de verstandigen der aarde, mij niet uit te lachen, maar mij te benijden.
Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te begraven in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken op de graven, daarna bracht men de graven in de kerken. Waar de asch der martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is daar richtte de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis op, de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en begroef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds lang de vrome wensch van menig stervende, en de eerste christenkeizer was de eerste die binnen den gewijden omtrek der door hem gebouwde kerk een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond het denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om ze op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder belijder van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeienissen en de lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem rust zou geven in Zijn Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne wederkomst aldaar af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd een grafsteen, en de gemeente vond het opbouwend, het woord des levens te hooren, gezeten op de verblijven der sterfelijkheid; en over levenden en dooden welfden zich de gewijde bogen, waaronder de leer verkondigd werd van hem "die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof zij waren". Onze grootouders vonden dit alles nog troostrijk. Met uitzondering van weinige, was een graf in de kerk hun een dierbare, een onschatbare bezitting. Geen bewijzen der schadelijkheid van de dooden voor de levenden konden hen van hun stuk brengen. En toch dat moest niet zijn! Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze onverschilligheid maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij hier of dáár nog een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft dat hij niet rusten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw van het heiligdom, waar hij en zij aanbaden—bespot hem niet, bid ik u! Broeders, het is een eerbiedwaardige zwakheid.
Maar wilt gij weten, wat ik bespottelijk, wat ik ergerlijk vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet als groote mannen, niet met den titel van naturae se superantis opera, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden, omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen, de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart, prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar de markten, met uwe vereering! Hier—is het heilige grond. Ontbindt uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen, en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt: "Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar—hier geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof!
Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons, in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet, dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van Christus en zijn daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen—alleen op God! [28]
Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen is) niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten, het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen!
Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.
Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld, veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op liefde en achting vooruitloopt.
Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik, zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst, verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst, meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn natuur; geen smaak! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren, en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen, voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op; en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte.
Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, magna funera! Het is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen, terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen, dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder, of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met groote letteren het verwijt te schrijven: "Van de Armen". Dat is toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug!
Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed niets bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden, van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o, ik weet, op den bodem uws gemoeds is die wensch, dat men uw dood niet onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk, en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden, om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!
Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag, en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op die eener zuster—almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten; dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed, en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik hem had zien begraven, dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had, zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.
Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner vrienden; hij was een goed mensch".
Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote en ontzaglijke dag des Heeren komt!
1837.
Eene Tentoonstelling van Schilderijen.
Mijn vriend Baculus heeft een klein boekje geschreven, waarin hij over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden, maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs, als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was, dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog, en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van de tentoonstellingen van schilderijen? Baculus ijvert er geweldig tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige nuttigheid hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten; duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met een portret van Kruseman of eene zee van Schotel alleen gelaten, ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.
Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht van Schendel, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte) met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een ruiker van Bloemers, geflankeerd door het portret van een gouden huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen?
En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer van de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld, terwijl zij toch "zoo heel blond" is, en den heeren in te fluisteren, dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje "daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!"
Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de tableaux de genre aan den wand, tot de tableaux de genre op den vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige nommers van mijn catalogus.
No. 1. Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende.
Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en naar binnen omgevouwen. Hij heel Aegidus Punter. De P. blinkt op de bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging, alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange, scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige, wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon, kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij, zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie, hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw, van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het kunstlievend gezelschap daar hij lid van is.
Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle beschouwers uitmaken! Teylers museum zal het willen aankoopen; de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning komen reizen "om den grooten Punter te zien"; en wanneer hij hun dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de groote Punter te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen: "dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje komt weerom—het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens—de waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper schreef aan Punter, en Punter schreef aan den kunstkooper. Hoeveel woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw Punter en haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester Punter was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak van Ostade zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht; en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het Frans Hals, zoo Van Dijck, zoo Rembrandt gegaan.--Maar, o slag des noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder op de tentoonstelling. Zijn stukje—het is ditmaal eene keukenmeid, die een koperen emmer schuurt—zal wel weer slecht geplaatst zijn; zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. Flectere si nequeo Superos, Acheronta movebo! zucht hij niet, want hij verstaat geen Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel "zenie" om bij dat vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers, "die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot zijn werk is genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben.
Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.
Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof hij iets hoort in den hoek van zijne schilderij. Inderdaad! Eene jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers, ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het vroolijkste Jan-Steentje gezien hadden in plaats van zijn eerbare keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte; het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota bene!--"het is alsof hij leeft."
"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk, het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder, beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van Van Speyk, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.
N°. 2. Een familietafereel.
Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij, een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken, waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch, "dat zoo heerlijk was", hadden bereikt—of het spel sprak—scheen het dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins Frederik niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan—de straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit "eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld, en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven, voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop, die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had, alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt, zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen, duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus, en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is, om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij "infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent, laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat dat jongetje veel van ons Pietje heeft?" Het tafereel, waarvan ze spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. Pietje—het is een zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef—Pietje is een ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst, allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje, dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt, omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van ons Pietje heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van Pietje heeft".
Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de beau monde zou nog niet kunnen komen. Men slentert nog een half uurtje, en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt mevrouw, "daar hebben we het stukje van Ko nog niet gezien! Dat moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van Ko nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van Ko niet onder de oogen komen, tenzij ze het stukje van Ko gezien heeft. Ko nu, is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen; en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder, dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje van Ko. Het stukje van Ko is nergens te vinden. "Hoe groot zou het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men een stukje met koeien, van Ravenzwaay of een ander,--"ja dat zal het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden, sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje van Ko. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar gaan zij heen—om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk", en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is", om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten.
No... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur du bon ton geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang, een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch, de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het fashionable uur naar "de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar "een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.
Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen, van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende, zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal, en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste Ausstellung te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker, maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en nog bonter pantalon. En die iemand is een schilder. Deze is zijn alter ego, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar, zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg, hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord artiste op zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der stervelingen maken. "Ook is zijn schilder hem menig idee verplicht, en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!"
Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten du beau monde verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en, tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze, dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers geven?--
1838.
De Wind.
Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende, telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen: "het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het niet willen—ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart, noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed; het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren.
Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige, de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij; in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om, met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende bestrijder!
De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat hij sluimert in het zuiden—ziet, hij staat op in het westen! Hoe spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet, hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door, als door Sanheribs leger de slaande Engel des Heeren. De wateren woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door, en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene, dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort—en wie zich aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.
Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol, geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30] over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit den wervelwind sprekende tot Job, leerde hij hem sidderen voor de mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind".
Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het lauw moeras—dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar, in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om, en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven.
Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht, het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd, beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u, als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte koelte. Toen sprak de Heer tot Elia".--Dit, mijne vrienden, staat in den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O, 's nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt te zullen binnendringen—dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen: "Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en slaven—die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden, en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in; die liefde sluimert nooit. Vreest niet—gelooft alleenlijk.
October 1838.