Eene treurige inleiding.
Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder—meestal, helaas!--onder dien kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht, het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had aangekondigd.
Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen is een zalig genot!
In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig, aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat, wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.
Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat William Kegge, zoo heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit, waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling, als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan toch erger dan ik mij had voorgesteld. William was echter zeer monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.
Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en men zou den anderen dag afwachten.
Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman bij mij.
"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde, "dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet oogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van angst en tobben, droegen wij den armen William Kegge naar het graf.
Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het Memento Mori zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen, die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie afkomstig zijn. Voor William had men geen twaalf landgenooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de letters E.M.
"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het was mij heel dierbaar."
Meer had hij er niet bijgevoegd.
De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke William behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen, zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd, de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van William Kegge waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die William Keg" er bij zijn leven had uitgezien.
Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving ik van den vader van Kegge een brief vol van wel wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.
Twee jaren later kwam de familie Kegge zelve in Nederland, en zette zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren, per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen inhoud:
"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door
Jan Adam Kegge."
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, "drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"
Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea, die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.
"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar, waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van Ovidius, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen knop.
"Kegge!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten, "Kegge! De vader van William! Ik ben gekomen om u, het Museum, en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan, zulje me drommels veel pleizier doen."
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden William dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden vader, deed mij aan.
Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór mij te zien.
"Ja," zei de heer Kegge, zijn horloge uithalende: "het was jammer van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij: "Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?"
"Hier schuins over woonde William: dáár; waar nu de steiger staat."
"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer, jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van Walter Scott? Lees je Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van Walter Scott kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?"
Op dien regenachtigen Octoberdag zag men Hildebrand met een vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, op de Senaatskamer, van Scaliger "met den purperen mantel" af, tot op Borger met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, Ada, en die Rederijkerskamer waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer Siebold, en rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door "de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon", en het was aldaar, dat de heer Kegge de algemeene verbazing en zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met hem te deelen.
Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe hij gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed zijn kelder was.
"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van Bulwer of zoo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence van suiker ingelegd. De heer Kegge meldde mij, dat "zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaansche hazewindjes, ten huize van den heer Jan Adam Kegge.
De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon, en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te kort gedaan. De beeltenis van William, die de oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.
Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif te onderhouden.
Mevrouw Kegge was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt door een zonnige ferronière op mevrouw Kegges voorhoofd en een zware gouden ketting op mevrouw Kegges voormaligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw Kegges tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde, en het karakter, dat zij had op te houden.
Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten, eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar genoegen mijnheer Hildebrand te zien. "Papa had er zich zóó veel van voorgesteld mijnheer Hildebrand eens te bezitten. Niet lang zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had hem uit geroepen."
Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer Kegge. Zij had den fijnen neus en den mond van William, maar veel schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg, blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg, hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie jaar jonger was dan William, die nu ongeveer twintig jaren zou geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine zachte handekens.
De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken, bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.
"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"
En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.
De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen, als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang vleiens kwam er: "Kopje krauwen."
Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.
"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de vertoornde schoone; "maar ik vind het zeer onaangenaam."
Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan de portretten te hulp te roepen, als mijnheer Kegge te huis kwam.
"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren komen. Hoe zit jij daar zoo te druilen, Lorre?"
"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."
"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje krauwen! gekskap!..."
"Papa, ik had het waarlijk liever niet."
"Nu, nu, Harriot my dear! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat zegje van onzen gast, mijnheer Hildebrand? En wat zegt mijnheer Hildebrand van mijn dochter?..."
Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.
"Allemaal gekheid!" riep de heer Kegge; "je zult wel familiaar worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar Henriette en Hildebrand, alstjeblieft."
Juffrouw Henriette Kegge stond op, om met zeer veel ijver op de piano een boek te zoeken.
De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord Liqueurs in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer Kegge evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer Kegge voort, "dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; niet waar Hanna? Dan ken je hier de taal en de spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."
Henriette verliet de kamer.
"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, drinkt goed—dat zijn de wetten van het huis. Waar is Henriet?"
"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw Kegge. "Zij kleedt zich voor het diné."
"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"
Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen verschenen.
Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf, in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie, met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet, lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit—met een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.
"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde, dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; William, dien je gekend hebt; Henriet, die je gezien hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier hebje Rob, en daar hebje Adam, mijn petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; dit meisje heet Hanna, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding, is het niet? en die kleine jongen heet Jan; niet waar, boer? Hier hebben we Sofietje; en het kleintje heet Kitty."
Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas malaga in, en liet zelfs de kleine Kitty daarvan proeven, die een leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van Rob, en Rob met den staart van Azor; Adam prikte zijn zuster Hanna zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; Jan en Sofie begonnen een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer Kegge gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.
"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, jongens! Veel pleizier!"
En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur, en stoof henen.
"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte de heer Kegge, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben, "ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."
Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule, een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.
"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer Kegge, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt, dan rammel je maar dat het huis dreunt."
Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur, op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.
"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, en nu completeert Henriet het zoo wat. Ik kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. Henriet heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat lange schoolgaan—allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen."
Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer Kegge mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer Jan Adam Kegge zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was; tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren", en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"
Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.
Henriette verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine, magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw Kegge. Zij kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer Kegge vertelde "dat hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."
"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15] op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van suikerriet en koffieboonen."
"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt."
Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van den heer Kegge, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer Kegge verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en Henriette weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche likeur proeven, die als vuur in de keel was.
De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de eetzaal gebleven, waar de kleine Hanna de compôte met morellen tot zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende dan dat het zoo lekker was.
"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga," zei de heer Kegge; "dit is mijn studie-uurtje!" En met een weinig bedwongen geeuw verliet hij de kamer.
Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich insgelijks tot de siësta.
De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.
Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje ook zijn waarde heeft.
Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt geen conversatie."
Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
"Ach," antwoordde Henriette: "men moet denken, de menschen zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren ons weer minder."
Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw, omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd, naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen, welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden, gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien zij u en amitié namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt; die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën, die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom, en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.
Het bleek mij in dit schemeruur, dat de schoone Henriette zich met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien even veel spijt als oprechtheid.
In den loop van ons gesprek verhaalde Henriette mij wonderen van het huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool, en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was, en verhief hemelhoog de allerliefste Clementine zus en zoo, haar beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde".
Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen hier over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen, en dat men zich nooit in deze stad met een heer in 't publiek kon vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.
Een juffertje en een mijnheer.
Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid dan ingeleid, onder het gejuich van "Saartje met een mof! Saartje met een mof!"
Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van Henriette.
De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: "Saartje met een mof! Saartje met een mof!"
"Kind!" zei Henriette tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk vroeg; mama slaapt nog."
"Wat zegje, Harriot?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?"
"Nicht Saartje is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;" voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!"
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele lieve stem naar de gezondheid van nicht Kegge en nicht Henriette.
"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, wilje?"
Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van Henriette. Een allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.
Henriette nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.
"Wat een allerliefst mofje!" zei Henriet, met het harde haar over hare zachte wangen strijkende; "wat doe jij nu met een mof, Saartje?"
"'t Is een oud ding," zei Saartje met een lief lachje: "de kinderen hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht Henriette! Hoe vaart neef?"
"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen trad de heer Kegge zelf binnen, vatte Saartje met een fikschen greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.
"Wel Saar! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."
Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders doen kan dan pijnlijk glimlachen.
"En wat hoor ik van je mof? Rob zegt dat je een mof hebt. Laat reis kijken. Die is nog van je moeder, Saar! Lieve schepsel! ik ben een citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van mij hebben."
"Och neen, neef Kegge!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar toch niet anders dan 's avonds dragen."
"En waarom niet, als ik ze je geef?"
"Omdat het me ... niet past, neef Kegge."
"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"
"Toch niet, neef Kegge! heusch, ik had het liever niet,--ik mag geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor."
"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."
Deze laatste aardigheid deed den heer Kegge machtig genoeglijk aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke familie Kegge gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen, die zij beschrijven.
Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond, liet de heer Kegge zich een met zwart zeehond gevoerden overjas van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.
Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven- of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang, zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange, zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel van het oog te blijven staan.
Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw Kegge genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op Henriette af, en herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat; eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde personages van Saartjen en mij.
Henriette stelde ons aan elkander voor, als mijnheer Van der Hoogen en mijnheer Hildebrand.
Mijnheer Van der Hoogen plaatste zich vervolgens op den hem aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde ik bij den heer Van Nagel; nu, u weet wel dat freule Constance ook een aardig hondje heeft...."
"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei Henriette, "een allerliefst dier."
"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij Azor en Mimi."
"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
"o Mevrouw!" antwoordde de heer Van der Hoogen, geheel opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. Freule Constance! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van mevrouw Kegge zijn charmanter."
Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw Kegge niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.
De heer Van der Hoogen richtte zich daarop tot Henriette.
"Ik kan u zeggen, juffrouw Henriette, dat de freule Constance jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de kerk gezien. Gisteren zei ze: Van der Hoogen, je kent immers de familie Kegge? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde een heel gesprek over u."
"Waarlijk?" vroeg Henriette: hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. "Foei, Van der Hoogen! je houdt me een beetje voor den gek."
"Dat is ondeugend van je," antwoordde Van der Hoogen, als zij glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en vervolgde: "Waarlijk, juffrouw Henriette, het is jammer, heel jammer, dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule Constance is waarlijk allercharmantst."
"Ik weet niet, Van der Hoogen! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tusschen u en die freule Constance!" merkte Henriette aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle mogelijke coquetterie in de oogen.
De heer Van der Hoogen had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos was—wie weet waar?
"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw Henriette!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert—onwaar is."
Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij voort:
"Ik mag de freule Constance heel gaarne; zij is waarlijk allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"
"Welnu?"
"Omdat zij zich zoo aan u intéresseerde." En hij sloeg de oogen liefelijk neder.
"Inderdaad, ondeugd?" plaagde Henriette; "je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"
"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei Van der Hoogen, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot mevrouw Kegge keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden."
"Dat behoeft niet meer!" zei Henriette glimlachende: "alles is bepaald: ik speel vrijdag."
"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule Constance verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik...."
"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde Henriette: "wil de heer Van der Hoogen mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens openmaken?"
"Gaarne, dolgaarne."
"Maar gij moet reflecties maken."
"Onmogelijk! onmogelijk!" riep Van der Hoogen. Daarop sprong hij van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à l'anglaise, en hielp Henriette de muziek uitzoeken.
Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje De Groot heeft toch een allercharmantst gezichtje!"
"Wat onbeduidend," antwoordde Henriette.
"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak Van der Hoogen.
"Saartje," hernam Henriette, "het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap zoudt willen houden."
"Graag, nicht Henriette!" antwoordde Saartje; "ik ga terstond."
Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.
Henriette begon te spelen, en de heer Van der Hoogen sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde, dat Henriette, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.
Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren Rob en Adam écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine Hanna (want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een kostbaar boek tot mislukte knipsels.
Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had verrukken zou," geen andere was, dan dat Henriette aanstaanden vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De heer Van der Hoogen had haar zoo lang gebeden, en de directie van het concert had er mijnheer Kegge zoo zeer om lastig gevallen, en Henriette speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan 't lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig altijd gezond, en de kinderen en Kegge ook, en ook de hondjes.
De heer Kegge kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De heer Kegge voegde zich bij de piano. Saartje kwam weder beneden en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien eener prachtuitgaaf van Lafontaine. Zij wist zoo goed welke fabel door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw Kegge sluimerde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer Van der Hoogen weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer Van der Hoogen, de eer had haar dienaar te wezen.
Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu aan den heer Kegge.
"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier; honorable betrekking!"
"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer Kegge aan, "schoon't bij ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary zijn de meeste directeurs het zelf geweest."
Henriette werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen kon de charmante heer Van der Hoogen niet uit zulk een bekentenis opmaken! Maar de charmante heer Van der Hoogen dacht misschien aan zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.
Vaderangsten en kinderliefde.
Wie Hildebrand te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan, "in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé; daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe, slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man, die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok van éénen koud is.
Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen, in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.
Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet, "die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten; allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap zou zijn gevallen."
Henriette kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas scheen te hebben ontvangen.
"Kind!" riep de heer Kegge haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!"
"En waarheen, papa?" vroeg Henriette.
"Naar neef De Groot, hart! Op vergulden."
"Op wat?" vroeg Henriette, wier aangezicht betrok.
"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, Adam en Eva, schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?"
"Ik koekplakken, papa, bij de De Grooten!--Ik kan het niet; ik bedank er voor. Neen, daar bedank ik nu voor," zei Henriette op een welberaden toon, "ik doe het niet."
"Ja maar, lieve meid," zei de heer Kegge, "ik heb het voor je aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij."
"En wat voor dames zouden er bij de De Grooten komen?" vroeg de schoone smalend.
"Weet ik het, juffrouw Henriette?" zei de vader, op een kluchtige wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd; juffrouw Riet, juffrouw Dekker, juffer dit en dat; hij zegt dat het heele ordentelijke juffrouwen zijn."
"En waarom heeft Saartje mij dan gisteren niet verzocht?"
"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."
"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde Henriette, rood van verontwaardiging.
"Henriette-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de De Grooten. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles; hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze vriend Van der Hoogen? Ik heb het aangenomen; je zult er immers heengaan? Ik wil dat je er heengaat."
"Het is wèl; ik zal er heengaan," antwoordde Henriette, bleek van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het uw schuld."
"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien bevalt je dat óók niet; ik heb neef De Groot een introductiekaartje beloofd."
"'t Is goed," zei Henriette, haar spijt verbijtende.
"Van wien is dat paarse briefje?"
"Ik heb het met muziek gekregen."
"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! Hildebrand mag je komen halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie menschen, Hildebrand! heel ordentelijk. Je hebt gisteren Saartje gezien. Henriet"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"Henriet mocht willen dat zij er zoo uitzag!"
Henriet beefde.
"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf haar een kus. "Harriot, my dear, je moet niet boos zijn."
Harriot, his dear, draaide het hoofd af.
De vader was verlegen.
"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga je mee, Harriot?"
"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij, een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.
"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."
Er volgde een poosje stilte.
"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, Harriot?" vroeg de heer Kegge.
"Ik weet niet," zei Harriot.
"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"
"Neen, papa."
De schimmels waren vóór; Henriette bleef pruilen. Wij namen afscheid en stegen in de barouchette.
"Henriette was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja, die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En Henriet heeft veel karakter."
Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer Kegge beweerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd" duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier, en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen, pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!"
Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer Kegge te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.
Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top; en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den winter zouden tegemoet gaan.
Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer Kegge te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde dochter liepen.
De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier maakte den heer Kegge herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer Kegge er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van Henriet.
De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer Kegge wreef zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren niet. Die barre mijnheer Kegge, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig, zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw Toussaint, in wie ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.
Op den terugkeer gebood de heer Kegge stil te houden voor de deur van een bloemist.
De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis, meisje?"
"Meheer is na Amsterdam."
"Maar mogelijk is Barend te werk," riep Kegge uit het rijtuig.
"Ja, meheer! Barend is er. As meheer er maar uit wil komen?"
Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis, waar Barend zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes en sterke geuren aan ons oog vertoonde.
Barend was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi te hebben aangenomen.
"Barend!" zei de heer Kegge, "ik moet een mooien ruiker bloemen hebben."
"Dat zal slecht gaan, meheer Kegge," antwoordde Barend.
"Voor geld en goede woorden, Barend!" hernam Kegge; "'t kan me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."
"Allemaal goed," zei Barend; "maar je kent de natuur niet dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg in 't voorjaar as je wil, meheer Kegge, en ik zel je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over, meheer Kegge; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet dwingen. Je kent het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee; en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden, wat heb je dan? Dan plaag je je zelve."
De heer Kegge brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van den ouden Barend af, met te zeggen: "Nu nu, Barendje, als je al de kassen reis doorloopt!"
"Hoor reis!" zei Barend, "je mot maar denken dat ik je net zoo graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen, want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer Kegge; dat zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit 'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg jij, meheer?" voegde hij er bij, zich tot mij richtende.
De heer Kegge wachtte volstrekt niet af wat ik in dezen zeggen zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?" zei hij ongeduldig.
"Hoor," zei Barend, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande, "as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"
"Neen, Barend! voor me dochter."
"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!"
"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?"
"Wel, van de bollen," zei Barend; "de blommen beteekenen nies. Dat is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; "motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?"
"Wat is het, Barend?"
"Dat," zei Barend, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus mi tangere!"
"Hou op met je potjes-latijn!" riep Kegge uit; "allemaal gekheid! Hoe heet het in je moers taal, man?"
"Kruidje roer me niet," antwoordde Barend.
"Dankje hartelijk!" hernam Kegge, zich waarschijnlijk herinnerende dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had.
Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide, die er heel goed uitzag, ofschoon Barend beweerde, dat zij het door de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum, en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl Barend bij iedere bloem zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste deur achter zich sloot, liet de heer Kegge zich onvoorzichtig de vraag ontvallen:
"Wel Barend! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"
"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord; "ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende jaar as tuinmansjongen gekommen."
"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.
"O!" antwoordde Barend; "maar dan most meheer me wijf zien. Die is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een jaar of tien is 'et mennigmaal gebeurd dat de lui an der vroegen, of 'er vader thuis was."
"Dat 's knap!" zei Kegge, "weergaasch knap, hoor Barend. In de Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man."
Met deze woorden haalde de heer Kegge zijn beurs uit den zak en nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar Barend dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.
"De heeren hadden men vader motten kennen," zei Barend, "dat was een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie, want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis, en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer—hij was er nog wel."
"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!"
"Doet niet!" zei Barend, "doet niet! Dan was ie pas honderd en vijf, en dat had hij makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, Stoetema hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't lijf. Nou was me vader van zoo'n natuur, dat as ie, met permissie, maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze, dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts, deur den bank, slapen. Maar Stoetema zei: dat kan niet, want we hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van 'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur die weg riepen ze an me vader: Jan, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei: neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen, as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an Stoetema om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben, zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...."
Hier raakte de oude Barend zijn stem, die al zwakker en afgebrokener geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.
"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was, "kijk! as ik an dien boer denk!..."
"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk nog kennen wezen."
De heer Kegge had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.
"Daar Barend," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."
Barend ging de doos halen.
"Die oude heer Barend is in allen gevalle toch niet in de wieg gesmoord," merkte de heer Kegge aan, met gemaakte vroolijkheid. En zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."
Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. Henriette, die ook al berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie oogen. Zij was beschaamd.
"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet altijd vroolijk zijn!"
Ik begon tienmaal meer van Henriette te houden. De kaketoe riep:
"Zoete vrouw."
Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer Van der Hoogen, dien ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde, aangediend werd en binnenkwam.
Henriette kleurde vreeselijk.
"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer Van Kegge. Een zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw Van Kegge; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"
Ik zag den heer Van der Hoogen opmerkzaam aan, maar ik merkte niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm; en ook beefde de hand des desperaten heeren Van der Hoogen niet, toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor ZEd. had ingeschonken.
"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot Henriette; "ik kan onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer Van Lemmer, waar ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw D'autré dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik vrees dat je niet zult kunnen...."
De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien Henriettes toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.
"Nu Henriette," zei de heer Kegge, het woord schielijk opvattende: "dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je kunt er wel af,--zóó is het niet."
"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte Van der Hoogen aan; "juffrouw Van Kegge is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...."
"Neen!" zei de heer Kegge, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?"
"Charmant, charmant!" riep de heer Van der Hoogen uit, en wipte van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen.
Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van Henriette nog beter dan vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer Van der Hoogen vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw van. Ik stond op om hem uit te laten.
"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A ce soir!"
"Het spijt mij dat het zoo treft," zei Henriette toen ik weder binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."
"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.
"Foei neen!" zei Henriette; "geen briefjes aan de De Grooten; dat zijn die menschen niet gewend."
"Wil ik het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.
"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in Saartje heeft?" sprak Henriette lachende; maar daarop nam zij de zaak ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!"
"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van juffrouw Henriette, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets tegen vergulden."
"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je zeggen dat ik het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama er nog schik in zou hebben...."
"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame.
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts iets droevigs.
De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker De Groot of, zooals Henriette altijd zeide, van "de De Grooten". Zij was vrij verre van het huis van den heer Kegge gelegen, en ik ging op de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer Kegge af.
Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke Henriette versmaad had verder te volmaken. Ik stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.
"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een, en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.
"Doppie, Jan! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en Jan Klaasen!"
"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!"
"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien dat Piet in de' kelder valt."
"Hou je ellebogen vóór je, Gerritje; ik waarskou je, hoor!"
"Pas op, Pietje! of je holsblok gaat de bakkerij in."
"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?"
"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"
"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent ook een mooie...."
"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!"
"Hoor je hem? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder."
"'En daalder op je oogen."
Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit atelier.
Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder "H. P. De Groot. Alle zoorten van koek en kleyngoed." Ik trad den winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er iemand opdaagde.
De glazen deur ging open, en het mooie Saartje verscheen, met een hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene zeer warme kamer komt.
"U alleen, mijnheer Hildebrand?"
"In plaats van uw nichtje Kegge, lieve juffrouw! ik kom haar bij u verontschuldigen."
"Maar u zal toch binnenkomen?"
"Een oogenblikje."
Saartje opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag de schare.
Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw Mietje Dekker, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, Keetje de Riet uit den kruidenierswinkel. En daarnaast Pietje Hupstra, wier vader het gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door een ringetje gehaald. Dan had men er Truitje en Toosje, de twee telgen van den heer Opper, voornaam metselaar, waarvan de eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe, de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere Grietje van Buren, die de oudste van de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht; zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik Bartje Blom, wier vader een deftige spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling, Suzette Noiret, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde Saartje, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder De Groot zelve, een dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.
De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw De Groot, die gehoopt had met nicht Henriette te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van Grietje van Buren ontwikkelde, met de betuiging, "dat het jammer voor juffrouw Kegge was; zoo reis vergulden, dat was altijd nog reis aardig".
"Ik hoop," zei juffrouw De Groot, "in de aanstaande week, de kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo wat klein grut."
"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte juffrouw Van Buren aan, haar penseel indoopende en een lange streep goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"
Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd, zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve Saartje, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder De Groot, die ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen en ging een kreet van verbazing op.
"'t Is zonde!" betuigde Mietje Dekker.
"Heb ik van mijn leven?" informeerde Keetje De Riet.
"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van de roode céphalide.
"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.
"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei Grietje Van Buren.
"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw De Groot?" vroeg Bartje Blom, die het goed met mij scheen te meenen.
Maar Suzette Noiret en Saartje wezen mij terecht en deden 't mij voor.
Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, zooals juffrouw Van Buren deed, en een koets met paarden, als juffrouw De Riet, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien Toosje, en den vrijer, dien Truitje had uitgemonsterd, zoodat Toosje zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe Truitje die parapluie zoo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van Truitje dan ook rondging, en het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, dien juffrouw Noiret onder handen had, beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?
Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. Mietje Dekker met de bloedkoralen, Keetje de Riet, en Pietje Hupstra hadden het heel druk met juffrouw De Groot over "fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van Bartje Blom. "Zij moest er toch niet te luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen, maar de ander beweerde dat zij er den meester niet bij moest halen; en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg. En Bartje Blom dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte Grietje van Buren zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule Troes, van wie zij hare lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of der—hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. Bartje Blom vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden, maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte".
Juffrouw Noiret was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.
Saartje was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te voorzien; maar Grietje van Buren begon haar veelbeteekenende oogen toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg Bartje Blom ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten tegen een zekeren Kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met denzelfden Kees in 't paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar zuster en Kees, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt"; waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop Grietje van Buren aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop Bartje Blom uitriep: "Nu, nu Grietje; ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!" waarop Grietje verklaarde, dat Bartje een ondeugd was.--Ik merkte op dat Suzette Noiret door niemand werd geplaagd.
Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen, die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen Bartje Blom hem knipoogend vertelde, dat Toosje en Truitje Opper vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop Toosje aanmerkte dat zij, Bartje, wel zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. De Groot stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder ter bakkerije.
Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de ooren. De een was een broer van Pietje Hupstra en schreef op 't stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen Opper en voor 't kastemaken bestemd; en de derde, een broer van Keetje de Riet, ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.
Nu zei juffrouw De Groot dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw De Groot een dromedaris wilde laten vliegen. Bartje Blom werd met "den vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester De Riet beweerde "dat hij niet vloog, maar fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden pand, en Saartje verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.
Toen werd Grietje van Buren verkoren om al de panden te doen lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van Mietje Dekker, met en benevens het tissuutje van Keetje de Riet, en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude juffrouw De Groot, en een pennemes van den ondermeester De Riet, en een ménagère van Bartje Blom, en een horlogesleutel van den kastemaker Opper, en een huissleutel van den klerk Hupstra, en een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit pand in de hand heb?
Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen; als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps niet, toen Toosje Opper iets heel moeielijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat Bartje Bloms pand voor den dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer Hupstra, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw Noiret had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den jongen Opper het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw Kegge en de charmante viool van den charmanten Van der Hoogen.
De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw Noiret, die mij groot belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.
Juffrouw Noiret was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. "Het was zoo ver!"
Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.
"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik er niet treurig bij?"
"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..."
"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder," voegde zij er haastig bij.
"Is uw moeder ziek, of..."
"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat ik gaan zou."
Suzette zuchtte.
"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo heel jong."
"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid "en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar."
"En uw vader..."
"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..."
"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!"
"Helaas, geen van beiden," zei Suzette, op een allerdroevigsten toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot: "geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet."
"Waarom niet?" vroeg ik.
"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging Suzette voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..."
En zij zag naar de geslotene poorte om.
"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje," ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof; en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..."
"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."
"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou het niet overleven!"
Wij gingen zwijgend verder.
"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw Noiret, hare schoone oogen afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank u voor uw vriendelijkheid."
"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten."
Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij was. Wij scheidden.
Ik vond de familie Kegge reeds bijna aan het souper. Van der Hoogen deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan Henriette, die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette (het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't bijzijn van ZHWG. van "de De Grooten" te spreken, en eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der De Grooten, De Rieten, Dekkers, Hupstra's en zoo voorts, door eene juffrouw Henriette Kegge wilde hooren bespotten.
De Grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk, dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.
Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van Paulus oplezen: "For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25).
Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de woorden "then do we with patience wait for it".
Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.
"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij; "mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte zal u misschien hinderen."
"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn hoofd is zéér sterk; ons menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij, op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.
"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer Hildebrand," hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den lieven William gesproken?"
"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men heeft met mij nog geen woord over William gewisseld."
"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten, zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht ophief, om haar te streelen.
"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot van den hond aanvattende: "de lieve Bill is nog geen drie jaar dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem nog niet vergeten heeft."
Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in durfde storen.
"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve jongen; niet waar, mijnheer Hildebrand?"
"Dat was hij," zeide Ik.
"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? Bill had niet moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft het nu gedaan?..."
Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik het zelf was geweest!
"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij zag mij aan met een langen en strakken blik.
"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort, op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"
Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij de brieven, die zij van William ontvangen had en in dat boek bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.
"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte mij den brief toe.
Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. Marrison."--"E.M." Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor William geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam hem van mijn vinger.
"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."
Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?"
"Tot weinige uren voor zijn dood!"
"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel, Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw, dat de lieve Bill gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, Diaan! en wij hem niet—ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij gevoelt niet diep; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen over. Maar ik, ik had mijn hart op William gezet. Hij droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven William! Hij was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een lieve jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?"
Weder volgde een korte pauze.
"Kegge is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel door luidruchtigheid. Toen hij Hanna trouwde, was zij een speelsch kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn dan hij zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen Kegge, en daarom leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit, nooit een woord over den lieven William gesproken wordt!--Maar wij spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond, en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen Bill nòg met hem spelen..."
Zij nam den ring weder op.
"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij hem nog een paar dagen houden."
"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er de grootste en teederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis, waar ik William vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in zijne oogen:
"En wat zal er dan van Diaan worden?"
Een Concert.
De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw Henriette Kegge, de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer Van der Hoogen was er zelf heengegaan om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer had gedaan.
Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval niet was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk zelfs boos om geworden zijn.
Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven kwam de schoone Henriette beneden. Zij droeg een zeer lage japon van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.
Mama Kegge was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon was vooral niet minder dan vuurrood.
De kleine Hanna was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren, ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.
"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste.
"Wel neen we!" antwoordde de jongste.
Mijnheer Kegge wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar Henriette stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.
De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van Henriette te nemen.
"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw Van Kegge, je hebt eer van je dochter!"
En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden "want het zou criant vol zijn"!
Henriette liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.
De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan mevrouw Kegge aan; ik volgde met Henriette, en het luid gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich hooren. De komst van de familie Kegge maakte eenige opschudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den heer Kegge, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te bar voor een publieke plaats.
"Van der Hoogen! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat vooraan. Henriette moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. Henriette op den hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár."
Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren, die rondom stonden, maken zouden.
Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie juffrouw Kegge; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om, zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.
"Is freule Nagel hier óók?" vroeg hem Henriette, haar donkere boa een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de hooggeborene gedacht.
"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. Van der Hoogen, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"
De dame, die hij hierop als de freule Constance uitduidde, werd binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw, die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw Kegge en te smachten naar een concertavond.
Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer Van der Hoogen deze omstandigheid in 't vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hij de freule Van Nagel (en hij moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde, kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van Van der Hoogen, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op Henriette opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer Van der Hoogen was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op Henriette, die mij juist influisterde dat die freule Nagel zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine Hanna had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten."
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie begon. Natuurlijk de zooveelste van Beethoven.
Wel mocht Goethe [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor 't oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt, blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken, en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar, grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden, alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan, zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de toilettes en van onze mooie oogen?
Ondertusschen zou ik Goethe tegen moeten spreken, indien hij beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk zie; en ik twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen; en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.
Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.
"Moet nu nicht Kegge er niet aan?" fluisterde hij mij met een vergenoegd gezicht in 't oor.
"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet."
"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."
De goede De Groot had een der onderdeelen van de symphonie voor een obligaat op den hoorn genomen.
Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!"
De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer Kegge was in dit Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames."
De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol, tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend aangezicht beweerden dat het Potdevin niet was, eene blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben, dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen, die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.
Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de piano, en de heer Van der Hoogen maakte haar open, plaatste de muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren verlieten het orkest—uitgenomen de contrabassist, een oud man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen in de zij plaatste—en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop daalde de heer Van der Hoogen af, om door Henriette af te halen voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel gehad te hebben. De heer Van der Hoogen nam haar bij den pink en leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren, plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.
De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene verwonderlijke vlugheid.
"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen konden!" fluisterde De Groot mij in, nadat hij een weinigje van den schrik bekomen was, die het optreden van Henriette den goeden man gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij, als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je een goot hoort loopen."
De heer Van der Hoogen stond, met een hoek van ten hoogsten honderd en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was, nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!
Het stuk was uit. Henriette stond op, en dankte met een stuursch gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude Kegge had tranen in de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk charmant geweest!" Henriette liet zich door mevrouw Kegge de boa weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop begon zij een gesprek met de kleine Hanna, zoodat de geheele wereld verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusje".
De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.
Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op het programma dan een korte pauze, en zulks is niet te verwonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht hier bijeenzijn.
Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover op de andere het muzikaal gevoel—ja, leg er het muzikaal gehoor maar bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.
En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven, de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid; waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep, dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.
Ik deed mijn best om Henriette te genaken, die in een kring van heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien avond belangrijk voorkwam.
"Ze zullen die juffrouw Kegge, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."
En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.
"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare jaren, dat juffrouw Kegge heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij, heeft zij haar beau jour niet."
"Kent u die familie Kegge?" vroeg een andere aan een jongen heer, en zij legde duizend pond nadruk op den naam.
"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West."
"Ik vind ook wèl, dat men haar dat aan kan zien," sprak een derde, die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.
"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit haar eigene keek.
De freule Van Nagel scheen zeer tevreden over het spel, maar liet zich over de speelster volstrekt niet uit.
Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich, de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene, het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon, die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste, en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg, dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.
Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.
Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept, die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen, die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili"; en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde; of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was; of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.
Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden, en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de kleine Keggetjes drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun vader lachte dat hij schaterde.
"Die juffrouw Kegge speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met een waldhoren gezien had.
"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.
"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit blies.
"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den duivel vlugheid, kunstjes, brille."
"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den mond van een werkend lid.
"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid.
"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker.
Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het niet liever?
De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort te eindigen, met eene ouverture.
De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden, waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen, en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.
Van der Hoogen was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk tegen den linkerarm van Henriette aangedrongen. Zij was allerliefst jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot misbaar "de koets van mijnheer Kegge!" aankondigde, draaide zij zich eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag Henriette om. Mijnheer Kegge, die haast maakte, volgde met mevrouw; Van der Hoogen moest zich dus met de kleine Hanna behelpen, naar welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.
Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het dessert dook de heer Kegge zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was, stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide hij, dat Henriette een mooi meisje met bruine oogen, een engel, en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren allen geheel bewondering, en mevrouw Kegge niet het minst, hetgeen ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte, daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer Kegge dronk den dichter, en de dichter dronk den heer Kegge; en de heer Kegge liet de kurken van champagneflesschen tegen den zolder springen; en de heer Van der Hoogen sloeg met de platte hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen; en dit alles was ter eere van juffrouw Henriette Kegge.
Ochtendbezoek en Avondwandeling.
Des anderen daags vóór den middag werd de goede De Groot aangediend en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een groote gunstelinge van den heer Kegge was en in zijn huishouden goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste opgewondenheid over den avond van gisteren.
"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als nicht Henriette; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was als een engel uit den hemel."
Henriette glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking, dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw De Groot te vragen en haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen komen; zij zou juffrouw De Groot nog eens in persoon haar excuses komen maken.
"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht Henriette!" zei de goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef Kegge wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat moet u toch vooral niet denken!"
"Nu, neef De Groot"... zei Henriette vriendelijk... en wie weet hoe lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de coutume" noemde.
"Wel, juffrouw Henriette! Is de nachtrust goed geweest, na de fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!"
"Vleier!" zei Henriette, "maar ik weet," liet zij er op goedigen toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent."
En zij reikte hem de hand.
Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.
"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden De Groot van het hoofd tot de voeten opnemende.
"De vader van Saartje," antwoordde Henriette bedeesd.
"o Ho!" zei de heer Van der Hoogen, die dat ook zeer wel wist hem den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een guéridon voor het raam stond.
"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan.
"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn beste dagen al gehad."
"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante.
Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker, en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.
De heer Kegge was ondertusschen druk bezig met neef De Groot, die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw Kegge hem gedurig verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw Kegge allerhartelijkst, "juffrouw, ik wil zeggen nicht Henriette" zeer eerbiedig, en maakte ook een buiging Voor Van der Hoogen, die hem met een hooghartig "goeden dag" betaalde.
Van der Hoogen ging daarop mijnheer en mevrouw Kegge bezighouden, en Henriette trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.
"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"
"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. Van der Hoogen vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.
"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij mij in.
Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan gebruik om het gesprek op haar vriendin Noiret te brengen.
Zij verhaalde mij van Suzettes onvergelijkelijke gehechtheid aan haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen zin in Suzette had, en dat zij geloofde, dat hij Suzette ook niet ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij, er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West te gaan beproeven.
"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde Saartje er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan aan hare moeder."
Henriette was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
In het schemeruur bracht ik Saartje thuis; en het lustte mij, daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken, en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts, in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt, als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat me los, mijnheer! of ik schreeuw".
Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem herkend.
"Zijt gij het juffrouw Noiret? "Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen," sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt wezen; het is ijselijk...."
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar voren loopen, met een baklamp in de hand.
"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de kaars opsteken."
Zij ging heen om den blaker van juffrouw Noiret te halen, en ik bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel, vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held Van Speyk!
"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van Suzette aangestoken en haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk daarop uitgeblazen had.
Ik liet haar een glas water halen. Suzette dronk er een teugje van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige, hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het 'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en een rooie schrikpoeier halen?"
"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er bijtijds bij; men wilde haar afzetten."
"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid dat er geen werk is. En mijn Kobus is ook nog bij de weg, die kennen ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer bij'em het dan zen zuiver orlozie, en daar is een stevige kopere kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet pruisisch was hier in de stad. Der is nog reis een winter geweest dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: die waakt, die waakt, die slaapt, die slaapt! en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je dan in verkeerde, daar bleef je ook in. Anranden! 't is wat moois in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"
En zij nam Suzette een toegespeld pak af, dat deze nog altijd stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten tabouretten.
"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen, want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven; dan zal ik hem bij de politie aangeven."
"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de klapper; "en weet je wat Kobus zeit? ze krijgen er de verkeerde deur te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd, op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo; daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven, zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp geen lievemoederen an; hij most en hij zou mee. Maar toen ie vijf dagen had zitten brommen—hij was toch maar al die tijd uit zen werk, zie je—daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen, of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat zoo niet. Want hij wou der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven niet veul ofdoet. Maar daarom zei Kobus altijd, in die winter toen 't nog reis zoo erg was: as ik er eentje te pakken kreeg, ik zou 'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw Noiret alleen te blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in tranen uit.
"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het in de kaars."
En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met eenen innigen afschuw:
"Foei, mijnheer Van der Hoogen!"
Ik nam het briefjen op.
"Mag ik het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.
Toen Suzette wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert eenigen tijd overal door Van der Hoogen vervolgd werd. Hij was immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje, en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen, onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, Suzette, geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit gemaakt. Zij was uitgegaan om freule Nagel een japon te passen, zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan, met hare gewone vriendelijkheid, als Suzette zei, de bescherming van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden van het huis van den heer Van Nagel, of zij hoorde reeds den stap van Van der Hoogen achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk, had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij de woorden uitgesproken die ik gehoord had.
Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.
Ik vertrok.
Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na dit alles te gedragen. Van der Hoogen had mij sedert onze eerste ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof aan Henriette maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude maken. Ondanks alle hare kuren, was Henriette hiertoe te goed, en in gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. Van der Hoogen had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen, had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.
Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan Van der Hoogen eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tusschen hen beiden een stille liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw Noiret aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw Noiret tegen alle verdere lagen te beschermen, en Henriette, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.
Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.
Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer, eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.
Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden, want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar hij kon "het geteem van de dominé's in deze stad niet aanhooren"; voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat Henriette betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er sleurwerk van te maken".
Hildebrand nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde, het zeggen van Fenelon, in het treurspel van dien naam:
"Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid,
En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!"
Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van den heer Van der Hoogen te vinden waren en moest ze in een der middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De heer Hildebrand stapte er heen in de vaste overtuiging den heer Van der Hoogen thuis te zullen vinden.
Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer Van der Hoogen, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer Van der Hoogen des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het "dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje uit te stellen.
Nu gebeurde het dat Hildebrand, op zijn weg naar den beddewinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij te wonen.
Hildebrand is geen voorstander van het laat verschijnen in het huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en, onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten".
't Hijgend hert,
zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den Tweeënveertigsten Psalm:
't Hijgend hert, der jacht ontkomen
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen—gij leest gewis altijd goede preeken, en krijgt niet dan slechte te hooren?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen, teweegbrengen kan?
Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf naspel liet verloren gaan.
Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht biddend gebed. "Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt Jacobus. Toen noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit den Eersten Psalm aangeheven:
De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
En wendt alom het oog van zijn gena
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde Hildebrand zich naar Van der Hoogen.
"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw linkerhand!"
Hildebrand volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet.
De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met Robert Macaire, en eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een fazantehaan, dien Van der Hoogen moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van Paul de Kock opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende dat de heer Van der Hoogen waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. Hildebrand hoopte dat de hospita hem zou aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de hospita niet wezen, want Hildebrand hoorde degelijke manslaarzen kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep.
"Bout," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje nog al op je bed?"
"Hei, hei wat," antwoordde Van der Hoogen, "'t is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht."
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het Hildebrand duidelijk, dat Van der Hoogen zijn wedervaren met juffrouw Noiret vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hij in een geweldig lachen uitborst.
"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien Hildebrand met den naam van Bout had hooren benoemen, en die een zeer rauw en onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen goed en wel in de West is?"
"Boutje!" antwoordde Van der Hoogen, die in dit gezelschap zijn lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi."
"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan."
"Geen nood!" antwoordde Van der Hoogen; "jongens kerel! ik heb haar zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze heeft dat wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?"
"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben d....rs," zei Bout; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij, binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer Kegge. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? Henriet; hiet ze zoo niet?"
"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk bij je."
De heer Bout kwam daarop naar voren, en Hildebrand zag een gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar, dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed, en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand in de voorkamer te ontmoeten. Hildebrand maakte zich bekend, en verklaarde dat hij gekomen was om den heer Van der Hoogen te spreken.
"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg Bout met gemaakte vriendelijkheid.
"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde Hildebrand.
De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen Van der Hoogen.
Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.
"Gij hier, mijnheer Hildebrand?" zeide hij bij het inkomen.
"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.
"Charmant, charmant!"
"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige Bout aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel al aan zijn?"
Van der Hoogen lachte schreeuwend om deze geestigheid.
Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk te spotten?
Bout vertrok.
"Je moet me eerst wat laten besterven," zei Van der Hoogen geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."
"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer Van der Hoogen!" zeide Hildebrand, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den achtenswaardigen Bout.
"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie Kegge u eerstdaags wordt ontzegd ..."
De charmante werd, van bleek, vaal en zag Hildebrand verbaasd aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.
Hildebrand maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem voort te gaan: "De heer Kegge zal eerstdaags weten, wie gij zijt, mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn dochter het hof maakt."
De heer Van der Hoogen wist zijne verlegenheid niet beter te verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:
"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?"
"Ik!" antwoordde Hildebrand zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik, die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet welke slachtoffers de heer Van der Hoogen elders heeft gemaakt, en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren van menschen daar ik belang in stel."
De heer Van der Hoogen deed zijn best om nog luider te lachen, wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:
"Een charmante klucht! En mijnheer Hildebrand is alzoo dénonciateur van dit alles?"
"Hij kan het worden," ging Hildebrand voort, die nu eenmaal op gang was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer Kegge waarschuwen. Maar eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als men u bij den heer Kegge met stugheid ontving, of misschien wel de deur wees!"
"De heer Kegge zal laster van waarheid kunnen onderscheiden," zeide de heer Van der Hoogen met een geveinsde bedaardheid.
"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde Hildebrand, het briefje aan juffrouw Noiret toonende; "men kent uw hand; een biljet vol van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."
Hildebrand stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in den rokzak.
De heer Van der Hoogen stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les te komen lezen? Ik houd u voor een...."
"Geene beleedigingen!" zei Hildebrand, insgelijks oprijzende, en hij voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten."
De heer Van der Hoogen ging weer zitten.
"Gij spreekt van de les lezen!" ging Hildebrand voort. "Uw naam en faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw afkomst, mijnheer Van der Hoogen, weinig strookende met de airs, die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats; ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"
"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer Van der Hoogen tusschen de tanden.
"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van juffrouw Noiret. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron Van Nagel af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken bij den heer Kegge verminderen en er van afzien eenigen invloed op zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer Kegge. Nu zal ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer Van der Hoogen! Denk er om!"
"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden, stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.
Hildebrand vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de trap opkwam.
Het hofje. De heer van der Hoogen af.
Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.
Het ongeluk scheen Suzette Noiret te vervolgen.
Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik Saartje tegen. Zij liep zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.
"Wat scheelt er aan, Saartje?"
"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw Noiret ligt op sterven!"
"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan Suzette denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!"
"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. Suzette heeft oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw Noiret misschien nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme Suzette beginnen?"
Zij snikte luid.
Ik ging met haar naar het hofje.
De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren, en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..."
"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder.
Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.
"Hoe is 't met juffrouw Noiret?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik van dit gesprek niets begrepen had.
"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja, ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, moeder! Neen, tòch niet, dat was bij Trijntje. Och ja, dat zeg ik, een mensen kan der gauw uit wezen!"
Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.
"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd, en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.
Wij traden het huisje van juffrouw Noiret binnen. Door een klein portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier, en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter, dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw Noiret het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.
Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren toegeschoven, zat Suzette, doodsbleek, en met het hoofd in de hand. De goede juffrouw De Groot stond vóór haar, met een vol glas water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.
Suzette hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij reikte mij de hand:
"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het was bij dag."
Saartje hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw De Groot poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.
Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. Suzette schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong, wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit, en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen plechtig saamgevouwen op haar borst. Saartje knielde bij haar bed; blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zij in een hevig jammeren los!
"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw Noiret, een enkel woordje van u gehoord!"
"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare oogen met haar voorschoot afvegende.
"Neen," zei Suzette met een hartdoordringende stem; "geen van allen."
Saartje schoof het gordijn weer toe.
"Arme Suzette!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult gij beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat zij Suzette "nog naarder maken zou".
"Ik wenschte dat ik zoo schreien kon, juffrouw De Groot!" zei de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan, met het hoofd in de hand.
De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw, die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje, met een hord toegedekt, op de tafel.
"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan dooven eigen.
"Ja!" zei juffrouw De Groot, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg."
Juffrouw De Groot had echter niet luid genoeg gesproken.
"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn openschuiven.
Juffrouw De Groot hield haar bij den kalminken rok terug.
"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer eten. Buurvrouw is overleden."
"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij, "en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw eindelijk?"
Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw niets meer schortte.
"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw Samei, want zoo heette de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in dut huisje. De eerste was Engeltje Bovenis; die was drieënzeuventig, en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was juffrouw De Ruiter, die de koffiekan over der been liet vallen, zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje, daar placht ze anders nog wel van te houën."
De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste, de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule Constance.
Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule Constance.
Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op Suzette toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De jonkvrouw greep haar bij de linker.
"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw Noiret!" begon zij, met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien; gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."
Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote en verpletterende smart te weenen. Suzette barstte in tranen uit, en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers van deze hingen heldere droppels. Saartje drong zich tegen de beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen, de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.
Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden, en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.
"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw De Groot, en een traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.
"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.
"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang duren zal, eer de rijkdom bij Pleuntje Samei's laatste leger komt om te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw Noiret van geen lage kom-of was."
Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar eigen cel.
De dokter kwam om naar Suzette te zien en voor haar te zorgen, nu de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule Constance zag.
"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet onmiddellijk gegaan zijn, freule Nagel!--Ik beveel u deze patiënte aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt gij de beste dokter die ik ken."
Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet welke andere ellende te gaan aanschouwen!
Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen betrekkingen ook nog zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun stoel had gevonden.
De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst gezicht binnen en, moeder De Groot op zijde nemende, hield zij haar voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw Noiret te "ontweiden." "Juffrouw De Groot kon daartoe over haar beschikken: zij was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed van juffrouw Noiret lag."
Juffrouw De Groot beweerde evenwel dat het geen haast had; maar de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw Noiret had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was...
"Het is de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw De Groot; "als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."
"'t Is wèl," zei juffrouw De Groot, en de Moeder vertrok, om door het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw Noiret af te leggen, en over haar kostelijke sprei.
"Wat had de Moeder?" vroeg Suzette, weemoedig opziende, toen zij vertrokken was.
"Niets, lieve!" zei juffrouw De Groot: "ik zal voor alles zorgen. Bekommer u over niemendal."
"Men moet moeder met rust laten," hernam Suzette; "niets aan haar veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet.
Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte, dat zij haar toeliet te weenen.
Saartje kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar terugkomst. Ik vertrok met haar. Suzette reikte ons beurtelings de hand. Saartje kon geen woord uitbrengen; en Hildebrand was zoo sprakeloos als Saartje.
Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude De Groot was in de ziel bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het ongeluk van juffrouw Noiret in gesprek. Saartje vertelde mij heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.
Zie; moeder Noiret was zoo goed als op haar stoel doodgebleven, als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet noodig gehad om Suzette iets te vergeven vóór zij henenging; en haar zegen—zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!
Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene vereeniging met Suzette naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde zijn naam te weten. Saartje deelde mij mee dat zij hem den vorigen avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond, zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de kamer van Van der Hoogen mijns ondanks beluisterd had.
Ik kwam tehuis.
"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de heer Kegge mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang geweest bent."
Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje.
Kegge kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:
"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een algemeen gegrijn gegeven hebben. Hanna, my dear! daar moet wat aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur haar het een of ander."
"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw Kegge goedhartig.
"Allemaal gekheid!" riep de heer Kegge uit. "Ze heeft immers geen honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn; een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
Henriette had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te kijken. Ook zij had vochtige oogen.
Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en gevoel! gij waart toch veel te goed voor een Van der Hoogen! En indien gij freule Constance tot moeder of tot zuster hadt, gij zoudt een heele lieve Henriette kunnen worden.
In het schemeruur poogde Henriette, langs allerlei zijdelingsche wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en Van der Hoogen dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte men Van der Hoogen, die meest alle zondagavonden bij de familie doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef, Henriette, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij er geen gewoonte van maakte om nu ook alle zondagen te komen".
Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien, waarvan de heer Kegge een mooie verzameling had, die echter zonder smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.
Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. Henriette werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte, toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het openbrak zag zij hem strak in de oogen.
Toen de heer Kegge het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn mutsje voor af:
"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw Kegge, geboren Marrison, mejuffrouw Kegge, en mijnheer Hildebrand, hoort, bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:
WelEdelgeboren Heer!
Dat is primo een leugen!
_Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam
pogen te be..._
te be-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord—_te bezwalken
en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te
zien om hetzelve verder te frequenteeren._
Ik heb de eer te zijn,
WelEdelgeboren Heer,
UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,
P. G. van der Hoogen.
Van huis, zondagavond. Surnumerair etc.
"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer Van der Hoogen anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te zeggen wat ik denk. De heer Van der Hoogen heeft zich aan mij als een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."
Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was, en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid neemt."
"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep Kegge uit. "Je hebt, dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer Van der Hoogen! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had van groote hanzen!--Het zal Henriette nogal spijten."
Henriette antwoordde niet veel; maar mevrouw Kegge sprak, met volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van onverstandige vrouwen:
"Ik heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft mij nooit iets misdaan. Ik kom er rond vooruit, dat het mij spijt, dat hij niet meer komen zal."
"Allemaal gekheid!" hernam de heer Kegge. "Het eenigste is, dat er niemand is voor de muziek met Henriette. En gij spreekt ook van heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende; "dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den vloer, om mee te praten."
De heer Kegge schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde hij zich tot zijn vrouw.
"Hoe oud zou William nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.
"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw Kegge.
Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele oogenblik in zich bevatte.
Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.
Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur, stond ik op het bordes van het huis des heeren Willem Adolf baron Van Nagel, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad, waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.
Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten, den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van beminlijke menschen.
Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur, liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.
De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder, op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij, het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende, ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der Nagels niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de Kegges.
De heer Van Nagel liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten, en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.
"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen moet behandeld worden?"
"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.
"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer Van Nagel, die mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik in het belang van de moederlooze Suzette kwam.
Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret, dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong, en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige trekken van den baron en van de jonkvrouw Van Nagel.
Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl), gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen.
"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende; "nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"
Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren Reindert de Maete sprak.
"Een oppassende jongen!" merkte de heer Van Nagel aan, zonder mij evenwel in de rede te vallen.
"Van zekeren Reindert de Maete," zeide ik, "wien men, en wel voornamelijk een zekere mijnheer Bout, die aan het hoofd schijnt te staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer Van Nagel zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering had plaats gehad, daar de heer Bout reeds voor hem, en met zijne toestemming, een engagement met zijnen (Bouts) broeder, die in Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...."
"En nu is uw verlangen," zei de heer Van Nagel met voorkomende goedwilligheid, "dat ik den jongen De Maete zijn ontslag weiger?"
"Hetzelfde!" antwoordde ik.
"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer Hildebrand! Hij zal het niet hebben, Constance! "Wij laten onze kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer Bout. Hebt gij ooit van een broer van den heer Bout gehoord, die in de West zou zijn?"
"Nooit, papa!" antwoordde de freule.
"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer Bout, en wij kennen den jongen De Maete. Wij zullen alles in orde brengen. Kent gij de beide heeren?"
"Den heer Bout zag ik een oogenblik. De Maete heb ik nooit gezien."
"Zoo, zoo," antwoordde de heer Van Nagel; "nu, wees gerust. Ik zal de zaak onderzoeken. De Maete zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?"
Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.
"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen De Maete, maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe, als de jonge De Maete zelf."
"Ik dacht het haast," zei de heer Van Nagel, glimlachende. "Nu, de zaak is er niet erger om, geloof ik."
Ik maakte eene beweging om heen te gaan.
"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn, maar de knecht kwam binnen en diende den heer Van der Hoogen aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig onderdrukt.
"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik en besogne ben."
"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren, geloof ik, ergens ontmoet?"
"De freule was met mij in het huis eener treurende."
"Gij kent die juffrouw Noiret?"
"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."
"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer Van Nagel voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van hare familie dan wij?"
Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe Suzette om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het voorrecht hadden met haar omtegaan.
"Dat zei de dokter ook, niet waar, Constance?" antwoordde de beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik; ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen uit zijn studententijd op te halen.
"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik hoop dat gij het ondervinden zult."
Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is, die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil, zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.
Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te zien of de Breestraat nog breed was.
Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel mogelijk te voldoen.
Henriette Kegge is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie, mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in aanzien komt.
Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet, mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi.
De heer Van der Hoogen heeft zich in het beheer van zekere aan zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen, dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen.
De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel, en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige verguldpartijen. Saartje is de verloofde van een hupsch jong mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het zal een lust zijn bij haar te koopen.
Suzette Noiret werd, onder den titel van kamenier, een zeer bevoorrecht persoon bij de freule Constance. De Maete, door den baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer Bout, die aan de gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de gelukkige echtgenoot van de mooie Suzette, en ik heb een brief van de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen aan den heer Hildebrand".
De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den tijd te gemoet, waarin de heer Van Nagel, die al zachtjes aan vrij oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.
En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft haar niet lang overleefd.
En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:
"Gedenk aan den lieven William en aan zijne Grootmoeder,
1840. E. Marrison".