Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · Jacobus Jan Cremer

Chapter 8: Bij Den Gelderschen Neef

Na een "allerliesten rit" over den breeden dijk van Arnhem op Nijmegen, en vervolgens zijwaarts af over een flinken grindweg, bereiken de echtelieden Van Middelnesse tegen den namiddag het dorpje B., waar de jeugd, die juist naar de middagschool gaat, het mooie rijtuig aangaapt, het voor een groot deel begeleidt, en op de vraag van den koetsier: waar mijnheer Janssen woont? zonder te antwoorden lacht en goochelt; elkaar naar voren duwt; den een den ander op den rug springt, totdat er eindelijk een is, die, na de herhaling van de vraag, met den vinger wijzende het bescheid geeft: "Gunds achter 't huus van Nol Peters."

In weerwil van deze niet zeer volledige aanduiding, bereikt de barouchette eindelijk de woning van den grossier-kruidenier-wethouder-vetweijer Janssen, van den vierkanten man met het rondroode aangezicht, die, terwijl hij de pet van zijn hoofd licht, het portier opent, en met een: "Welkom nêf en nicht, bezonder mooi weertje harrejennig!" mijnheer en mevrouw Van Middelnesse in het uitstappen behulpzaam is.

De schooljeugd blijft het "groote spul" aankijken, en, nadat die "heer met de mavrouw" binnen den winkel zijn, volgen zij nog een eindweegs de barouchette, waarvan de koetsier door Janssen met de woorden is ingelicht: "Voar ie moar 't hekke in, kameroad; achter oan de schuur; 'k Hèt beste kleever op dêl."

Weinige minuten later zitten de voorname gasten vis-à-vis hun Geldersche verwanten in de pronkkamer der laatsten.

't Is er waarlijk zoo min niet. Mevrouw ziet het met welgevallen. Mijnheer maakt bij zich zelven de reflectie dat het hier toch inderdaad ijselijk bourgeois is, terwijl de vrouw van Janssen—een gulle, welgevormde, gezonde Juffer-boerin—voor deze gelegenheid van boven tot beneden in 't zondagspak, en vuurrood van de eere, die haar en haar huis weervaart—gedurig, ja ja, zegt, en dat de femilie 't moar veur lief moet nemen, met de betuiging alweder, dat 't mooi weertje is. Mevrouw Van Middelnesse van hare zijde verzekert dat zij het wezenlijk allerliest vindt, om haar en haar man zoo af te wachten, en dat ze blij is nu eens kennis te kunnen maken, en—dat de juffrouw.... nicht wil ze zeggen ook kindertjes heeft, nietwaar? vier als ze zich wel herinnert?

Juffrouw Janssen, die aan haar echtvriend plechtig heeft moeten beloven om zooveel mogelijk goed Hollandsch te spreken—en dat ook reeds in praktijk heeft gebracht—roept in 't volle besef van. haar moederwaarde:

"Wát mein ie vier, mins? mins, 'k hêt 'r zeuven!"

Mevrouw Van Middelnesse is door dien uitval een weinig verschrikt, en haar verbazing is bijzonder natuurlijk; trouwens zij heeft er zes, en, waar twee vrouwen met haar beiden dertien kinderen bezitten, daar ontbreekt het niet licht aan discours. Het kroost der gastvrouw is naar school; de twee kleinsten—sloapen 'en bietje.

Neef Janssen, die intusschen wil toonen dat hij zijn wereld zoowel als zijn Hollandsch verstaat, trekt een blaadje waarop zich twee karafjes en vier glazen bevinden, naar zich toe, en terwijl hij het eene karafje vat, zegt hij tot den Hollandschen neef:

"Lust uwe dat ook in Den Haag? Zuivere bitter! Prebier 't moar is."

Van Middelnesse bedankt: hij bedankt wezenlijk; heusch, hij vindt het allerliest, maar hij drinkt nooit iets, nooit!

"Dan zou'k oe man niet wezen," zegt de Betuwnaar; "we hebben hier af en toe 'en drupke van noode; uwe mot niet noar mien kijke: ik neem 't altijd tien minuten véur 't êten, en wellui voor ons, we hebben 't êten al achter de knoopen."

"Och kom...." zegt de Hollandsche neef die iets leegs gevoelt, en zich toch meent te herinneren, van een "ham" in den brief te hebben gelezen.

"Kee sting er op dat we wachten zouen tot gelluu.... uwe d'r waren," herneemt Janssen, die 'en heele toer met zijn Hollandsch heeft omdat hij 't ook nooit meer sprak, alleen slechts wanneer hij in den jachttijd op 't kastêl at: "maar," vervolgt hij: "ik zei, loauwe stil onze gang goan:--'t was met de kinders, zie je—dan kuwwe best op z'n Hollandsch nog êns éten. Vader placht altied te zeggen: êt zooveul da'j van veur af aan weer beginnen kunt."

"Ah juist!" zegt de heer Van Middelnesse: "Maar 't is waarlijk al te veel moeite voor.... voor....re mevrouw...."

"Mein ie Kee....!" vatt Janssen haastig in: "juffer as te blief, of nicht; we mevrouwen hier niet; allinnig op 't kastêl."

"Ja juist, nicht wil ik zeggen," hervat de Hagenaar—en tot zijn gade: "Nietwaar Emilie, dat is waarlijk al te vriendelijk om voor ons nóg eens diner te houden, heusch, we hadden geen behoefte. We hebben te E. nog een broodje gebruikt!"

"O hé ja," antwoordt de gade—die letterlijk rammelt: "u hadt dat niet moeten doen."

"Allemoal gekheid!"-roept Janssen, "a'j 'en stuk vlei.... vleesch op de vurk hebt, dan zu'j wel bieten: en lus je't niet, óók goed, de jongens weten er weg mee.--Toe Kee, loop is noar de keuken, en zie of ze de eerdappels hoast goar hebben."

Kee had al lang naar de keuken gewild, en—loopt.--Bij afwezigheid zijner wederhelft, stelt Janssen al zijn Hollandsche welsprekendheid in 't werk, om nicht tot het gebruiken van een glaasje dubbele annies te verlokken: "Goed voor de frissigheid," betuigde Janssen: "'t was nog van de letste kroamhistorie: St. Jan 'en joar geleejen."

Mevrouw is tot Janssens blijdschap niet onverbiddelijk, en zelfs mijnheer—die heusch nooit iets drinkt—zit in 't einde, evenals zijn wederhelft, met een ten boorde toe gevulden wijnroemer dubbele annies, vóór zich.

Janssen zal dan—veur de gezelligheid—nog 'en klein drupke bitter nemen: "Nóg êns éten: nóg êns bitter!"

Tijdens de afwezigheid der gastvrouw vernemen de echtelieden dat neef Janssen volstrekt van geen fratsen houdt; dat ie niet licht iets presentieren zal as ie 't niet kwiet wil wêzen; dat ie graag hét dat ze hum Rijnsche wien schenken; dat ie 'en afgestamden hêkel oan achterbaksigheid hèt; en doarum Jan Taks—zien buurman, niet luchten of zien kan; Jan Taks heeft ze achter de mouw zitten.--Weet je, hier! mooie woorden, en knooien in 't geniep.

De echtelieden vernemen: dat hij—Janssen—onder de ersten van 't derp wordt geteld, moar, dóárom 't heu.... hoofd niet in den nek sleet: "Zie je, zelfs as ik minderman tegenkom, dan doei ik zoo" zegt de spreker, en hij licht de pet—die hij gewoon is ook binnenshuus op te houden—even van 't hoofd: "moar," vervolgt hij alweder: "wat niet warken wil, die hét den duuvel oan Janssen gezien. Tegen de knappe arbeijer, doar zeg ik tegen," en hij licht weder zijn pet op: "Kom binnen, zeg ik: goa zitten zeg ik, en we proaten as vrinden; zie je, 'en mins is 'en mins!"

Nog verder vernemen mijnheer en mevrouw Van Middelnesse—die natuurlijk neef Janssens principes door jawels en dergelijken hebben gehuldigd—dat de Betuwnaar zes en veertig mergen land onder de ploeg hét, en zestien koeien en veertig ossen in de weies loopen; dat er achter 't huus 'en groote karsenbongerd is, en dat de loate knappers net giesteren zouen geplukt wêzen, moar—dat ie gezeid had: we zullen ze loaten, dan kunnen nêf en nicht uut Den Hoag is zat en genogt éten.

Geen tien minuten later ligt er een hagelwit, ofschoon wel wat krap laken door nicht Janssen zelve over de tafel gespreid. De huisvrouw heeft de diepe borden al tellend: da's nêf, da's nicht, da's Janssen en da's ikke, er mede op nedergezet; naast ieder bord links: 'en vurk, rechts: 'en lêpel. Aan 't boveneinde der tafel legt ze nog een hoopje van 't eerste, aan 't benedeneinde een hoopje van 't laatste soort zilver neer.

Een bruinroode deerne in profond werkendags-gewaad, met den rooden halsdoek zeer luchtig over den boezem en verder onder den gestreept diemiten borstrok gespeld, treedt met een: G'en dag soam!" de kamer binnen, en zegt, terwijl ze een grooten ronden schotel midden op de tafel plaatst: "Hier hei'j de soep; z'is heit, heur!"

"Doar hewwe 't bloazen veur geleerd," zegt Janssen, en tot de gasten: "Schuuf bij as te blieft."

De deerne is vertrokken; de gasten hebben zich nader bij de tafel gezet; Janssen drukt het binnenste van zijn pet tegen het aangezicht, en juffrouw Janssen doet haar oogen dicht en laat het hoofd op den linkerschouder zakken.

Mijnheer Van Middelnesse legt de blanke hand tegen zijn voorhoofd en bedekt er ten halve zijn oogen mee; het linkeroog kan echter nog genoeg zien; en het ziet: dat mevrouw al biddende met haar fijn geborduurd zakdoekje haar bord afveegt, en, dat er een trek om haar mond speelt als of ze wil zeggen: "Foei ondeugd, je moest ook niet kijken.'

De maaltijd neemt een aanvang. Janssen noodigt de gasten om zijn voorbeeld te volgen, en terwijl het Geldersche echtpaar met hun lepels de soep over den rand van den grooten schotel binnen hunne borden werkt.... aarzelen de Hagenaars; maar—volgen ten laatste inderdaad het gegeven voorbeeld.

Janssen beweert bij 't haastig opslorpen: dat die soep niks kienderachtig smoakt,--en terwijl hij ten tweedenmale zijn bord vult, voegt hij er bij: "Kee weet 't wel, en wat mien belangt, ik heb gezeid: ze motten geen honger lieën, heur ie. Tast toe nêf en nicht, z'is verechtig niet schroal. Soep is moar buukvulling."

"O z'is keurig!" zegt mevrouw Van Middelnesse, ofschoon ze haar veel te vet vindt, maar toch, HE. had honger.

"Délie! Délie!" betuigt mijnheer, en de verkwikkende spijze doet hem zóó'n goed dat hij waarlijk vrede met dat soort van menschen krijgt, en—dan zoo vrij zal wezen nog tant soit peu te nemen.

Wij zullen het viertal rustig hun middagmaal laten gebruiken, Janssen even graag alsof het zijn eerste was. Na de soep verscheen er een groote bak, met kruimige dampende aardappels gevuld; daartegenover "flankte" de huisvrouw een dito schotel met groote boonen, die, zooals Janssen beweerde, geen zuigelingen woaren, maar: stonden in de moag! De groote ham van een "eigen slachts-verken" formeerde met een diepen bak, waarin zich aan groote dobbelsteenen gesneden en hard gebraden stukjes rundvleesch bevonden, benevens de gezegde schotels, die met de boonen en aardappels gevuld waren, een kring, in welks midden een groote sauskom was neergezet.

Janssen die maar gedurig bleef verklaren dat hij van geen fratsen en van geen noojen hield, liet intusschen evenals zijn wederhelft, geen stil oogenblik voorbijgaan, zonder zijn gasten tot toetasten te dringen, en wierp nu eens den neef eenige sneden ham op 't bord, en drong dan weder zijn nicht—die heusch genoeg had—om eenige dobbelsteenen vleesch naar zich toe te halen, met de vergunning: "A'j 't niet lust, loat moar liggen!"

"Hier nêf, drink is; 't is wie.... wijn van 't joar 48, 't beste wa'k in huus heb."

Mijnheer en mevrouw werden rood van 't eten!

In 't einde, daar gaat de deur open, en, mét de deerne van den rooden halsdoek, die weder een grooten bak met riestenbrij in de handen draagt, stuift ook een zestal kinderen de kamer in.

Daar had je 't leven!--Dag voader, dag moeder!" "Wie zin dat?"--"Zin ze dat uut Den Hoag?"--"Êt gelluu nog ens?"--"Kriegen we ook wat?"--zoo vroegen de knapen en meisjes, en ze vroegen nog een heelen boel meer, terwijl de ouders vermaanden en bevolen, dat ze g'en dag mosten zeggen; dat dát nêf en nicht woaren uut Den Hoag, woar de Keu.... de Koning woont; dat Willem zien schriefboek is most loaten zien, woar de meister zoo dukkels: "uitmuntend" op schreef; dat Mieke d'r neus most afvêgen, en eindelijk, dat ze stil noar buuten mosten goan, met de belofte: "dan krieg ie allemoal riestenbrij. Vort jongens!"--Daar stormden ze heen.

"Allerliefste kindertjes! zoo ongedwongen, zoo sans gêne," verzekert mijnheer.

"En zoo gezond!" merkt mevrouw aan; de buitenlucht is toch maar alles!" (De kindertjes van mevrouw kregen les aan huis, omdat ze met dat schoolgaan, vooral 's winters, zooveel kou opdeden).

"Ze kriegen noar beheuren wat ze willen, en ze kunnen doen naar beheuren wat ze willen!" zegt Janssen: "moar—gehoorzoam da's één, en geen streken da's twee. Kom nêf nog 'en glêske!"

"Neen, heusch niet, ik zou bepaald de hoogte krijgen. Merci, merci!"

"Wát merci!" roept Janssen, en schenkt in; en de neef drinkt het glas uit, en krijgt niet de hoogte.

Wat de rijstenbrij betreft, ze moest en zou geproefd worden. Nicht, Janssen verlangde, in alle nederigheid, toch een goedkeurend woord voor haar nagerecht, en geen wonder—ze had er drie pinten vet van room aan ten koste gelegd.

"As Mei-botter!" zegt Janssen, en mijnheer en mevrouw halen diep adem, en—terwijl zij met hun respectieve vorken in de rijstenbrij-porties, welke hun waren opgeladen, pikken en figuurtjes maken, om er dan weder eens even mee naar den mond te wippen, betuigen zij dat nicht veel te veel omslag heeft gemaakt, en dat ze er waarlijk verlegen mee zijn; maar heusch, dat ze anders nooit zulke rijstenbrij geproefd hebben!

Neef Janssen lacht van plezier dat zijn gasten zoo óver en óver tevreden zijn, en zegt: "Joa, al zin we Bêtuwslui, we weten nog wel wat onzen gasten toekumt. Ku'j 't niet op? loat moar liggen! we zulle danken, en dan—noar den bongerd om kersen te êten, totdat moeder de koffie goar het."

Dat mijnheer en mevrouw juist niet extra veel trek in knappers hadden, vinden wij zoo vreemd niet, maar Janssen, die den boom voor heurlui gedestineerd had, zei aan Kees den arbeider: dat ie plukken most wat ie kon in 'en tienponds mande: die most ie moar zetten in de koets van de lui, onder de veurbank.

Terwijl het viertal in bedevaart naar de dorpskerk trok,--aangezien mevrouw zoo graag eens op pa's eersten preekstoel wilde, klimmen—was het dat Janssen, niet zonder een gevoel van eigenwaarde, aan zijn gasten de gronden wees, die hem in eigendom toebehoorden. Van de bedevaart te huis gekomen, zit men al spoedig weder om de tafel binnen de pronkkamer; de koffie is aangericht, dat heet: een groote krentenmik staat naast een dito zonder krenten, omringd van een schaal met ronde beschuit, een halve kaas, een groote kluit boter, benevens een saucijsworst op een aanval te wachten. Uit de kraan der groote kan vloeit driftig het bruine vocht in de kopjes: half koffie, half room.

Of er al genooid wordt, waarlijk men kan niets, of althans maar zeer weinig gebruiken. Zelfs Janssen gelooft dat 't nog wat vroeg is, umdat ie hoast niks geen trek het.

Nu was 't oogenblik daar om eens 't een en ander van Holland te vernemen.

"Hebben ze nog al schik met de menisters tegenwoordig?" vraagt Janssen. "Is 't woar dat ze zooveul muujte hebben um dubbeltjes van de Koamers te kriegen? Heur is," voegt hij er bij op gewichtigen toon; "ik bemuuj me weinig met de polletiek, moar, ielk mins hèt zien begriep, en zie, dan begriep ik: dat ielk stel nije menisters 'en oarige slomp duiten kost, en, a'j ze moar stillekes oan 't ruur liet, da'j dan 'en oarige som in 't loadje zou houe; 't zou er niet slechter um goan, went, alle verstand kumt niet in 'en umzien."

Mijnheer Van Middelnesse is het volkomen eens, en beweert zelfs, dat hij er niets op tegen zou hebben om—al was 't maar vijf jaartjes—minister te spelen: dan pensioen!" zegt hij ten slotte, en knipt met de oogen.

De Betuwnaar geeft zonder omwegen te kennen, dat nêf uut Den Hoag, as ie 't um de duiten dee, zien man niet zou wêzen, waarop de Hagenaar spoedig betuigt, dat hij 't zoo niet bedoeld heeft, en dat hij ook niet gelooft, dat het er iemand om doen zou, maar--énorm veel werkzaamheden; 't loon verzoet den arbeid!

Dit laatste stemt Janssen volmondig toe; terzelfder tijd dat mevrouw Van Middelnesse aan hare nicht verzekert: Ja wel, dat de koning er precies zoo uitziet, precies als op de guldens en rijksdaalders.

De schoonheden van 't vorstelijk 's-Gravenhage met zijn museum en andere bezienswaardigheden, benevens het heerlijke Bosch, waar 's Zondags en 's Woensdags muziek is, worden door den Haagschen neef ten zeerste geroemd. Janssen en de vrouw hebben er schik in, zoo oarig as nêf d'r over proaten kan. De neef praat waarlijk allerliest, en—nadat Janssen heeft gezegd, dat ie 't spul van z'n lêven nog wel is wou zien, moar, dat ie zien mond wel af kan vêgen umdat 'r toch nooit van kommen kan; nadat mijnheer nog vele redenen vernomen heeft waarom 't niet mogelijk was, betuigt ZE. dat het anders zeer aardig zou wezen, wezenlijk.... en nicht....? heusch! wanneer zij 't eenvoudige voor lief wilde nemen, dat ze dan stellig eens komen moet.

"Krek! krek! um de schoai is weerum te hoalen!" lacht Janssen. "Met sint juttemis as de kalver op 't ies dansen, heur ie! Neen, dat stuuverke zou al roar motte loopen as Janssen hê! hê! in Den Hoag kwiem!"

Juffrouw Janssen lacht ook. Mevrouw—aangenaam door Van Middelnesses goedheid verrast—trekt haar gelaat in een zeer inviteerende plooi. Het aangezicht van den Haagschen neef drukt diepe teleurstelling uit.

Wanneer er inderdaad bezwaren zijn, wil hij niet bij zijn invitatie persisteeren, maar anders, een man als neef Janssen, dient de residentie, en althans de zee gezien te hebben: "Enfin! enfin! van harte gemeend!"

In weerwil dat de huisvrouw onaangenaam gestemd is, dewijl de neef en nicht willen vertrekken zonder iets van haar ruuting-maal te gebruiken—welke laatste versnapering in dik geworden zoete melk met beschuit en bruine suiker bestaat—maakt het Haagsche echtpaar zich nu weldra tot de afreize gereed; ze zullen toch al laat in de stad terugkomen.

Blieven!!?--

Onmogelijk! ze moeten morgen naar de residentie terug. Hun kinderen verlangen zoo zeer en—zij zelven....!

Da's natuurlik!

Eenige minuten later heeft er een hartelijk afscheid plaats. Duizenden bedankjes voor de allerliefste ontvangst!

"Niks te danken! Moar is weer kommen, heur ie!--Hier, wacht!"--en mevrouw, die al in 't rijtuig zit, ontvangt een énorm pak op haar schoot, alsof 't een pompoen is.--

"'En mikske!" zegt de gastvrouw, "veur de kienders; 'k hèt 'r veur gezurgd dat ie 'en moand of wat varsch kan blieven."

"Wel foei, da's alté!" zegt mevrouw.

Mijnheer, alvorens in het rijtuig te stappen, drukt nog eens recht vertrouwelijk neef en nichts handen, en voegt er gemoedelijk bij "Nu, we zien je toch eens?"

"Joa, joa, hier a'j weerum kumt!" lacht de dikke neef. De koetsier ziet achterom, en vraagt: of 't klaar is?

"Ja," zegt mijnheer. De eerste legt de zweep over de paarden. De Haagsche vrienden wisselen met de Geldersche, die,--omringd van eenige hunner telgen voor de deur staan—nog: vaarwels! en dergelijken; en, terwijl de barouchette door het dorp rolt, duikt mijnheer in het wagenkussen met den uitroep: "Hê, wat een dagje!"

"Toch lief! toch hartelijk!" zegt mevrouw, die voor een andere uitlegging beducht is.

"O! onbegrijpelijk!" roept de echtgenoot; "die menschen zouden compleet alles voor je doen; 't is bourgeois, overladen, ja, maar ik mag het wel eens. Mijn hemel, welk eten! En dan nog zoo'n mik!"

Mevrouw Van Middelnesse is geheel in verrukking dat Charles het ernstig meent. De familie, waar ze vroeger juist niet zoo heel veel van gesproken had, was meegevallen....!

"Nietwaar, de types van Geldersche gulheid? En weet je,--fortuin; ja.... fortuin!"

"Allerliest-lieve menschen!" besluit de echtvriend en geeuwt, en sluit de oogen, en droomt van den berg in Luilekkerland.