Wij hebben het genoegen u mijnheer en mevrouw Van Middelnesse voor te stellen.
Zooals gij ziet, mijnheer is 'en net, klein en mager persoontje met zeer gedistingeerde manieren; zijn haren en kleine bakkebaarden krullen zeer fraai, en zijne handen mogen aristocratisch blank genoemd worden. Op straat draagt mijnheer altijd gekleurde glacés. ZE. heeft een "wezenlijk allerlieste" betrekking bij Financiën; van zich zelven heeft hij ook nog een weinigje; somwijlen doet hij eens een kleinigheidje in de effecten... enfin; en, van mevrouws kant... enfin, enfin!
Nietwaar, charmant wonen in den Haag, vooral dicht bij 't Bosch; 's zomers heel plezierig; maar ook een mooie tuin, allerliest! allerliest!
Mevrouw Van Middelnesse geboren Zilver is wezenlijk een bekoorlijk vrouwtje. Ofschoon een beetje kleiner dan mijnheer, heeft zij toch meer voorkomen. In haar kring—zeer gedistingeerd—ofschoon in de hofstad misschien van den vierden rang—heet zij een knappe vrouw, en vooral mag zij dat heeten, wanneer men in aanmerking neemt dat zij gedurende haar twaalfjarig huwelijksleven, aan mijnheer Van Middelnesse zes Middelnesjes heeft geschonken!! Allerliefst lieve kinderen, drie jongetjes en drie meisjes.
Gij ziet het, "mijnheer en mevrouw zijn reisvaardig." Het jongste der kinderen is bijna twee jaren oud, en zonder bezwaar heeft mevrouw dus aan den wensch van haar "lieve" gehoor kunnen geven om eens met hem een heel klein toertje te maken naar Cleve, en Keulen, en den Drachenfels, en dan door Gelderland terug.
Wij verzekeren u: voor de kinderen is goed gezorgd; de drie jongsten gaan naar Grootma Van Middelnesse op de Prinsengracht, en de drie oudsten blijven met de zeer vertrouwde gouvernante-bonne, benevens een uitmuntend dienstboden-personeel in de ouderlijke woning aan den Boschkant.
Het portier der vigilante wordt door den huisknecht zachtjes toegedaan, twee van de kinderen huilen—omdat ze niet mee mogen: mevrouw huilt ook—omdat ze weg heeft gewild, en kijkt nog eenige malen door 't achterglaasje zonder evenwel van hare liefjes iets te zien. De huisknecht keert met de meiden in de keuken terug; pakt Saar, de dikke, die "schei uit" zegt; drukt Lien, 't fijne nufje, die "foei" zegt, een zoen in den hals: sprint boven op de tafel, en roept: "'t Hek van den dam! Saar, flensies van avond!" en Saar zegt: "Stil maar, je zult 't goed bij me hebben," en Lien krijgt weer 'n zoen en zegt: "Malle jongen, loop heen!"
O heer! zult u zeggen.
Neen, och neen, laat de echtelieden stilletjes reizen; ze zeggen in de keuken niets meer dan 't geen mijnheer en mevrouw zoo dikwijls gezegd hebben: "Je wilt wel eens vrij wezen."
't Is ons voornemen niet om het echtpaar op hun "tocht door Duitschland!"--zooals mijnheer zegt—te vergezellen. Wij verhalen alleen dat ZE., onder het bestijgen van den Drachenfels, glimlachend verklaarde, dat men op reis zoo heelemaal sans gêne wordt, want kijk, dat hij zóó maar, met zijn bloote handen, op den ezel zit.
De stoomboot, die het echtpaar naar Nederlandschen bodem terugvoert, nadert Gelderlands hoofdstad.
"Mijnheer en mevrouw Van Middelnesse zitten bovenop, onder het zeil, en drinken om zeven uren in plaats van thee een kopje koffie,--nog zoo Duitsch!
"Waar ligt dan dat B. toch....?" vraagt mijnheer met een gelaatsuitdrukking alsof hij zich de kantoorkaart van het Koninkrijk der Nederlanden in haar volle grootte voor den geest haalt.
"B., wel op den weg naar Nijmegen, in de Betuw," antwoordt mevrouw: "zoo'n beetje ter zijde. We kunnen dan een rijtuig nemen. Och, en je zult ze een ijselijk mee vergulden. Papa placht indertijd zooveel met hem op te hebben; ik weet wel toen was hij zoo'n jongen van een jaar of twintig, en pa zei altijd: Cousin."
"Maar—hij bestond je toch niet in den bloede?"
"Dat is te zeggen—neen—of eigenlijk ja, nog zoo'n beetje: zijn vader was een halve broer van mama."
"Zoo, dan toch 'en halve; je zegt 'en kruidenierszaak, nietwaar?"
"Ja, maar heel in 't groot, en land en vee; en boter en 'en kaasmakerij! Ma had altijd haar boter van neef; ook later toen pa al van daar naar Utrecht beroepen was."
"Nu, wat mij betreft 't kan me niet schelen," herneemt de man, doch, nadat hij langzaam zijn koffie heeft opgeslurpt voegt hij er bij: "Maar—je hadt mij nooit gezegd dat die neef Janssen ook kruidenier is."
Mevrouw krijgt een kleurtje en antwoordt:
"Toch heusch niet expres; maar schatje, zijn haas en patrijsjes smaakten je elk jaar bijzonder; waarlijk, 't is een goed mensch! En B., zie je, ik ben er geboren, 't was pa's eerste gemeente, en—ik heb er nog zwak voor."
Onder het zeil der stoomboot werd de zaak verder bepraat. Na in Arnhems omstreken de "mooie partijen" te hebben bezichtigd, zou men neef Janssen te B. een bezoek brengen. Mijnheer schreef, het volgende briefje, dat bij aankomst te Arnhem terstond op de post zou besteld worden:
Zeer Geachte Heer en Neef!
Aangezien wij ons, na een Duitsch reisje, nog eenige dagen in deze environs denken op te houden, zoo wenschten wij u en uwe geëerde familie een bezoek te brengen. Indien u zulks convenieert wilden wij daaraan gaarne Donderdag e. k. gevolg geven. Intusschen moet u zulks niet in het minste derangeeren: alles sans gêne.
In de hoop u alzoo geen belet te doen, noeme mij met de meeste hoogachting, na minzame groete,
Zeer geachte Heer en Neef!
Uw zeer Dw. Dienaar en Neef C. Van Middelnesse.
Arnhem, Hotel: Le Soleil. Maandag.
Toen de echtelieden den anderen dag van een rijtoertje in hun logement terugkeerden, werd hun door den portier met den sleutel van hun No., een franco brief overhandigd. Die brief luidde als volgt:
Geachte Heer en Neef!
Het zal zoowel voor mijn als voor mijn goeje wijf een groote eer zijn de familie eens hier bij ons in B. te zien. Het treft nog al bijzonder goed op Donderdag want Vrijdags gaai ik geregileerd naar Arnhem met de markt, en Sanne-kee zegt ook, dat het goed komt van wegens dat we juist een groote ham op schotel hebben, en van complimenten zijn we niet thuis, hoor. Na de vrindelijke complimenten en ook van Sanne-kee aan Mevrouw onze nicht, verblijve Uw Dienstvaardige Heer en Neef:
G. Janssen en echtgenoote. P. s. In haast.
B., den 8 Julij 18..
Toen mijnheer Van Middelnesse over den schouder van zijn echtgenoote heen den brief had gelezen, zag de laatste toevallig in den spiegel dat ZE. glimlachte, waarom ze goelijk aanmerkte: "Zie je—in haast, maar anders een mooie letter, precies als op de adressen wanneer hij den haas en de patrijzen zendt."