Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · Jacobus Jan Cremer

Chapter 19: Aanteekeningen

[1] Nieuws.

[2] Kleed.

[3] Stuipen.

[4] Sneeuw.

[5] Vleit.

[6] Kamertje.

[7] Wat belieft u?

[8] Azijn.

[9] Jong varken.

[10] De aardvloo in het oliezaad oefent een zeer nadeeligen invloed op den oogst uit.

[11] Tot naricht van den lezer dient, dat hier van den tabaksbouw sprake is. De bladeren van de tabaksplant worden in drie hoofdsoorten verdeeld, te weten: zandgoed, aardgoed en bestgoed. Nadat de bladeren op gezette tijden gebroken zijn, worden ze in de schuren gebracht en daar gesneden—dat is, men snijdt met een fijn mesje een kerf door den rug van het blad—om ze aan lange stokken, de zoogenaamde spijlen, te kunnen rijgen, waaraan ze gedroogd worden. De tabak vereischt een zorgvuldige behandeling, en van de juiste sorteering, zoowel als van de rechte verzorging der drogende bladeren, in de meest hooge schuren, hangt veelal het welgelukken van den tabaksbouw af.

[12] Tabaksbreken.

[13] Zwak.

[14] Niets.

[15] Zoo op stond, op het oogenblik.

[16] Geen lust, geen zin.

[17] Plank of boom die over eene sloot ligt.

[18] Swiet slaan: wind maken; van suite, groot gevolg van bedienden houden.

[19] Valt.

[20] Smêren: bewolkt worden.

[21] De lompen zijn de bladen, die, zwaar beschadigd, nog slechts een geringe waarde bezitten.

[22] Daar.

[23] Ontbijten.

[24] Bak, waarin het meel tot deeg wordt bewerkt.

[25] Men gelieve te bedenken, dat deze Amsterdamsche reis omstreeks 't jaar 50 moet hebben plaats gehad.

[26] Verder.

[27] De faam van den krijgsheld.

[28] Wind.

[29] Rijtuig.

[30] Schommel.

[31] Bij het dorschen van 't oliezaad schenkt de eigenaar of eigenares, aan huurlingen en in leen hebbende arbeiders, zooveel jenever als zij verlangen.

[32] In de lente.

[33] 't Mondje.

[34] De lezer gelieve het getal naar goedvinden in te vullen.

[35] Chansonnette comique: TITI à la représentation de Robert le Diable.

[36] Wij zullen, ook de verdere in die taal voorkomende gesprekken, zonder avis au lecteur naar goedvinden vertolken.

[37] Vetris I., ou le Dio de la danse.

[38] Dit lied, van den heer Dr. J. P. Heije, en treffend op muziek gebracht door den heer W. Broedelet, weerspreekt het beweren zoo krachtig, dat onze schoone moedertaal niet bij uitnemendheid voor den zang zoude geschikt zijn. 't Is treurig dat men in ons vaderland zoo weinig nationaaltrots bezit, en alles mooier en beter vindt wat uit den vreemde komt.

[39] Six pence, een dikke, houten wandelstok met een baak tot handvat.

[40] In verscheidene dorpen van ons vaderland heeft de schoolmeester het recht—of matigt zich dat aan—om ééne of meer geiten op het kerkhof te laten grazen.

[41] Spreuken van Salomo, III: 12.

[42] Tot opheldering diene, dat aan de ons bekende jaagstations, de ploeg of club der schuitenjagers, eene bos heeft, waarover een commissaris gesteld is. De prijs waarvoor de jager een schip vervoert, is vastgesteld. Intusschen roept de commissaris, door middel van eene schel, de tegenwoordig zijnde jagers bijeen, en bij opbod wordt nu de vracht gegund. Wie bij 't laagste cijfer afmijnt of het gebruikelijke "doen!" roept, wordt tot een volgend station jager van het schip, en, terwijl hij het bedongene in handen krijgt, gaat de som die de schipper als vasten prijs méér betaalt, in de algemeene kas over. De gelden in die bos samenkomende, worden een paar malen 's jaars onder de leden der club verdeeld, 't welk gewoonlijk voor ieder een aardig sommetje oplevert.

[43] In de genoemde streken, maar meer nog in de Noordoostelijke deelen van Gelderland, wordt een bemiddelde boer: Scholte genoemd, zijne vrouw: de Scholtinne.

[44] Schaapherder.

[45] Getuigen.

[46] Rijden.

The end.