Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · Jacobus Jan Cremer

Chapter 12: Den Anderen Dag

Nog maar even waren de echtelieden Van Middelnesse beneden, of ook de Geldersche neef treedt de ontbijtkamer binnen. Hij was al 'en poar uurkes opgewêst, en had moar vast 'en stroatje rondgeloopen.--Neen, al te best gesloapen had ie niet; moar anders--'t bed was goed gewêst.

Joa wel, joa wel, Janssen docht 'r wel oan dat de man die 'm de weg zou wiezen, over 'en half uurke kommen zou. 'En klein stukske brood zou ie vatten, moar anders—honger had ie geen spier, en—en—heur is, hie had gemeind dat ie bêter zou doen van nou moar afscheid te nemen: 't was veul gemekkelikker dat ie, noa alles gezien te hebben, van oavend moar op de spoor noar Delft goeng zitten, zie dan was ie mergen inéns woar ie wêzen most, en gauwer weer thuus; zie, went hij verlangde toch ook.

Mijnheer de neef moest ook erkennen dat u eigenlijk zóó oneindig verstandiger deed, maar anders—dat 't hem hoogst aangenaam zou geweest zijn, indien u 't nachtje er aangeknoopt en 't avondje nog—doodfamiljaar--"bij ons" had willen doorbrengen; in ieder geval moest u toch nog een boterhammetje nemen, men diende zich toch voor de reis te versterken; en mevrouw vindt alles precies als mijnheer, en gaat naar 't buffet; krijgt een stukje komijne kaas en presenteert het den neef, maar:

"Dank oe, neen dank oe."

De cicerone wacht in de gang.

Het afscheid der wederzijdsche familie wordt binnenskamers recht hartelijk; Van Middelnesse zegt zelfs, dat hij neef een goeje reis wenscht; mevrouw hoopt dat neef de familie wél terug zal vinden, en mijnheer voegt er nog bij:

"Als u soms van plan mocht veranderen, ons huis staat voor u open, hoe langer hoe liever;--van de treinen dat weet u. Die waarmee u gaan wilt naar Delft is om kwart voor achten...."

"Dank oe wel ... kertier d'r over," zegt Janssen: "'k hét 'en buultje segoaren gekocht en doar steet 't allegoar op."

"Ah juist, precies, maar—altijd beter een kwartier te vroeg dan 'en halve minuut te laat," meent Van Middelnesse.

"Gezondheid! de vrede, en 't beste met oe kienders!" wenscht Janssen nogmaals, en—hij stapt de gang in.

't Is zeer toevallig: Juist kwam Sientje de kamer voorbij.

"Kom gij is hier, dern!" roept de vertrekkende logeergast, en, terwijl hij een gulden uit den zak haalt en die der naderbijkomende deerne in de hand stopt, voegt bij haar fluisterend toe: "'t Is geen ham en geen os—loat oan oe kameroad moar is kieken, of ie op den bliksloager liekt."

Met een kleur als scharlaken, zegt Sientje: "Dank uwe wel!"

Een laatst vaarwel wordt er tusschen de mannen gewisseld. Gelukkig! Janssen laat het "nêf" achterwege. Daar treedt hij met zijn geleider de straat op, en—terwijl de Gelderschman op 't vragen van den vreemdelingen-bloedzuiger kortweg bericht: "Noar 't bosch en de zee!" wrijft Van Middelnesse zijn blanke handen; keert naar zijn eega terug, en zegt vol verrukking:

"Boven verwachting! 't Is alsof me een steen van het hart is gevallen."

"Ja, ik dacht stellig dat hij ten minste van avond terug zou komen," is 't antwoord van mevrouw, en ze voegt er nog bij: "'t Deed me erg veel pleizier Charles, dat je den goejen man nog zoo'n beetje animeerde. Dag lieve!"

Emilie geeft Charles een zoen.

"Hoor eens," herneemt de "lieve" die zich gaarne den zoen laat welgevallen, den zoen, die hem verzekert dat hij wél heeft gehandeld: "hoor eens, er zijn standen Emilie; familie of geen familie, zooveel men vermag moet men zijn stand bewaren, en men gooit hem al aanstonds te grabbel door zulke menschen in zijn huis te ontvangen; ik zeg Emilie, daar zijn standen in de wereld, en, eenmaal op deze hoogte, behoort men zich niet te verlagen."

Juist! er zijn standen in de wereld en men behoort zich niet te verlagen....