Vijf dagen na het genomen besluit zitten de echtelieden aan de ontbijttafel. Er wordt aan de huisdeur gescheld. Eenige minuten later komt de meid binnen en bericht, dat er een man is, die naar mijnheer vraagt.
Hoe zijn naam is?
De meid moest maar zeggen, iemand, die mijnheer wel kon; uit Gelderland--"nog al dik, met 'en rood gezicht!"
Mijnheer Van Middelnesse wordt ook rood, want, terwijl u misschien aan zekeren neef uit B. denkt, heeft mijnheer slechts het beeld van zijn Zutfenschen wijnkooper voor oogen, en in diens handen ziet hij een rood lederen portefeuille, waaruit een rekening ten bedrage van ± tachtig gulden wordt te voorschijn gehaald, "Ik ben.... we zijn.... Och die man is zoo langdradig!--Sientje niet thuis.... hoor, niet thuis."
Den vorigen dag had Sientje een vreeselijk standje met haar mevrouw gehad, dewijl mevrouw beweerde dat Sientje een appel uit 't mandje had genomen, 't geen Sientje ontkende; waarop mevrouw haar onder 't oog had gebracht, hoe 't niet om de waarde van dien appel, maar om dat akelige liegen was.
"Versta je, niet thuis!"
"Bestig mijnheer!"
Na eenige seconden komt Sientje terug en fluistert op geheimzinnigen toon: "Dan wil ie mevrouw spreken, maar héchie! hij ziet 'r zoo uit, en voeten als modder."
Een blik van verstandhouding tusschen de echtelieden, en mijnheer verzekert: "dat mevrouw aan haar toilet, versta je, zich aan 't kleeden is."
De dienstmeid ziet dat ook en verdwijnt.--Men luistert, en hoort dat de huisdeur wordt dichtgeworpen. Weder verschijnt de dienstbode in de ontbijtkamer, en zegt op uiterst gemeenzamen toon: "Afgetrokken, hoorrie; maar hij komt weerom, straks over 'en uurtje!"
O die komplotjes, ze geven zoo iets recht vertrouwelijks tusschen "de lui" en "de boojen"!
Na 't vertrek van Sientje zegt Charles: dat hem die rekening, vooral met zoo'n partij, niemendal conveniëeren zou, maar,--dat Emilie, wanneer hij zelf over een uur werkelijk niet thuis zal wezen, den wijnkooper maar een anker Bordeaux moet bestellen.
Mevrouw vindt het onaangenaam om dat bezoek alleen af te wachten; Charles is immers gewoon om bij het bezoek van den wijnkooper de loopende rekening met hem te vereffenen. Mijnheer begeeft zich naar zijn bureau, doch kiest zijn weg door 't achterpoortje van de binnenplaats en vervolgens de steeg; 't is wel wat om, maar enfin!
Telkens wanneer er gescheld wordt ontstelt mevrouw Van Middelnesse. Intusschen zij heeft zich gekleed en houdt zich onledig met het leggen van papiertjes, waarop de namen der dessertgerechten zijn geschreven, want het dessert komt overmorgen dadelijk op tafel.
"Hier de noga in 't midden, zóó links en rechts de ananassen,.... hier de chipolata,.... daar de rumgelei,.... Gud! daar schelt ie!"
Sientje heeft in last "om dien mijnheer, dan maar in de voorkamer te laten", en de dienstbode brengt de boodschap: "Hij is 'r."
Mevrouw laat zich nog een beetje wachten. In 't einde vermant zij zich en stapt—met het fatale denkbeeld van geen geld voor een rekening te hebben—naar de voorkamer.
Alvorens haar hand aan de deurkruk te slaan, aarzelt de dame, doch—daar treedt ze binnen, en terwijl haar een: "Wel nicht hoe geet 't? doar hei'j me dan nou!" in de ooren klinkt, ziet zij tot haar overgroote verrassing, in stede van den wijnkooper, haar Betuwschen neef, die haar de ruwe groote hand gulhartig heeft toegestoken.
't Is niet te verwonderen dat mevrouw wat verbluft ziet en een weinig verward is.
"Wel, ben u het!....." zegt zij, "Ik dacht,.... Wel hoe vaart u?" en zij laat zich de fijne vingers door de forsche hand van den Betuwnaar drukken.
"Ik—springlêvend zoo a'j zien kunt!" is het antwoord: "'En mins roept krek zoolang Poasch tot ie kumt, en doar bin 'k nou in Den Hoag, en wil dan alêvel de schoai bij ou is weerum komme hoalen.... En wel de complimenten van de vrouw!--Jong, wa'n ding van 'en stad is dien Hoag!"
"Wel heden! wel! wel!" zegt de nicht, en ze herhaalt nog wel zesmaal: wel! wel! en wijst naar een stoel en zegt: "u zult toch plaats willen nemen!"
De neef heeft er niemendal op tegen: hij had de familie eerst aan den Boschkant gezocht, en—na hun tegenwoordige woonplaats te hebben uitgevonden, nog een uurtje kunnen rondwandelen. Janssen neemt plaats, en zegt, dat hij um de verrassing zien noam niet genuumd en ook niet veuruut had schrieven willen. Sanne-Kee had al gezeid dat nêf en nicht vremd zouen opkieken. Sanne-Kee hield eiges veul van verrassings, en doarum had ze dan ook weer 'en groote krintemik meegegeven, 'en zwoare: ze lag in 't veur.... in het voorhuis.
Was het zien van den Betuwnaar in plaats van den wijnkooper voor mevrouw in de gegeven omstandigheden inderdaad een uitkomst geweest, nu zij vernam dat de gulhartige man, die waarlijk nog een mik had meegebracht, zoo gedwoald en nog een uur had rond moeten loopen, nu gevoelde zij, ondanks een pijnlijk iets over de verwantschap, toch ook iets dankbaars, dat ze lucht geeft in een: "Wie kon dát nu ook denken."
Doch zie, daar gaat Ds. A. de ramen voorbij.... Huisbezoek!.... Hij schelt!.... Sientje zal hem in de kamer laten!--dáár zit de neef, die niet zal verzwijgen dat hij nêf is; daar zit hij met zijn volroode aangezicht en rosgele haren in zijn duffelsche jas met beenen knoopen, nog altijd met zijn vreemdvormigen hoed tusschen de knieën geklemd; daar zit hij, en de pijpen van zijn blauwlakenschen broek zijn van onderen omgeslagen—umdat 't op stroat zoo smerrig was—terwijl de grijze wollen kousen, die ten deele zichtbaar zich in de breede riemschoenen verliezen, met de laatsten op het fraaie tapijt een droevige vertooning maken.
"Och, wil u maar liever mee naar de huiskamer gaan?" zegt de dame haastig, terwijl zij ijlings opstaat: "Ik heb.... we zullen.... we drinken daar koffie weet u."
Janssen begrijpt niet juist waarom hij al zoo aanstonds weder verhuizen moet.
"Wat mien schêlt, ik zat hier best," zegt hij langzaam, doch, op een herhaald en dringend aanzoek zijner nicht, volgt hij met een: "Woar mo'k dan wêzen?" de dame, die niet door de gangdeur, maar door een binnendeur met hem de kamer verlaat.
Nauwelijks heeft Janssen de huiskamer betreden, of mevrouw, vreezende dat de komst van dominee haar zal bericht worden, en Janssen daardoor de reden der vlucht uit de voorkamer vermoeden zal—verwijdert zich spoedig.
"Wat kiekt ze schichtig," denkt de Betuwnaar, en terwijl hij de kamer in 't ronde ziet, valt zijn oog op een pampierke, dat op den grond leit.
"Dat kos ik tusschentieds wel is oproapen!" meent Janssen, en hij doet het, en—willens of onwillens leest hij:
"Mevrouw. Volgens uw geëerde order zal ik zorg dragen dat de bestelde gerechten overmorgen ter tafel zijn; voor de getruffeerde fezanten verzoek ik u kapoenen in plaats te willen nemen, aangezien ik tot heden geen fezanten ontvangen heb. Verblijve Mevrouw! Uw Dw. Dienaar Paulet Mr. kok en pasteibakker.
"Da's spietig," denkt Janssen: "ha'k 'et geweten dan ha'k 'en poar vette kiepen kunnen meebrengen. 't Liekt hier vetpot te wêzen: 'en huus van geweld; meubeloazie niet min; heel andere stoel' as bij ons in de woonkoamer.... Wat bin'k wiet van die woonkoamer weg.... Veur plezier!.... Wat zal Kee 't eenig hebben.... en de kienders!!--'t Is hier een doodsch uutzicht op dat binnenploatske.--'k Wou da'k de kallekoenen bij ons op het arf zag loopen...."
Janssens overpeinzingen verliezen zich in 't onbestemde 'k weet niet wat, maar eindelijk ja, eindelijk bromt hij vrij dof in den baard: "'k Bin veur plezier in Den Hoag!" Dat was ie!
Ongeveer een half uur nadat mevrouw de kamer verliet, komt zij terug en betuigt haar leedwezen dat zij u "u" zoo alleen heeft moeten laten, maar ziet u, er was iemand gekomen, die haar noodzakelijk spreken moest.
"'t Hét niks te beteikenen nicht," zegt Janssen: "zoaken goan veur. En hoe geet 't oe man, en hoe moaken 't de kienders?"
Onder het zetten en schenken van een kopje koffie verhaalt mevrouw al wat de neef verlangt te weten, en onderzoekt hoe "u" tot zoo'n reis heeft kunnen besluiten, en wat nu eigenlijk uw plannen zijn.
'En buutenkans in den olie, en 't gezoanik van Sanne-Kee, dat ie nou is goan most, hadden Janssen doen rezelevieren um Holland dan ook is te bekieken: "Bof, recht uut noar Den Hoag," besluit hij: "'k meinde nêf en nicht Middelnes zullen mien wel zeggen, hoe 'k 't beste goan en wa'k 'r zien mot. Alêvel hier, hei'j vroeger gezeid, was 't meeste te kieken: en zie—nou mot gelluu mien dan de weg moar is wiezen."
Mevrouw gevoelt bepaald iets draaierigs, en verzekert na een onbeduidend discours over het smeren van een boterhammetje, en de duurte van "die boter!" dat ze maar zeer zelden uitgaat; dat zij ijselijk veel last van hoofdpijnen en Van Middelnesse het tegenwoordig erg druk op 't bureau heeft, terwijl zij er bijvoegt, dat Charles met al zijne lastpostjes, ohé, haast geen oogenblik vrij is; en—schouder ophalende—dat er, ja, een museum.... maar anders in Den Haag toch weinig te zien valt.
Heer! dat loatste kan Janssen zich niet begriepen; en—als zijn nicht hem verder verhaalt, dat zij het alleraangenaamst zou vinden indien "u" bij ons bleef logeeren, maar dat zij heusch niet weet waar ze u een slaapplaats zal aanwijzen—behalve op een naar zoldervertrekje; dan denkt Janssen: "Hè'k van z'n lêven: 'en huus as 'en kark!
Ten slotte, bij het beleefde aanbod der nicht, dat "u" toch in alle geval dezen middag moet blijven eten, maar—heel eenvoudig, doodeenvoudig! want, entre-nous, dat zij, na zekere financiëele omstandigheden genoodzaakt zijn om zuinig, zeer zuinig te leven.... zegt Janssen: "Wel, wel!" en denkt aan 't briefje van Mr. Paulet, aan fezanten en aan kapoenen.
"As'k oe overlast doei dan kan 'k wel in 'en logement goa-gaan," is zijn antwoord; maar:
"Heusch niet; neen heusch niet!"
Tot aan de thuiskomst van mijnheer Van Middelnesse geniet Janssen het fraaie uitzicht op het binnenplaatsje der residentie, en bovendien het gezelschap der nicht die,--wanneer Janssen van het dorp spreekt, waar zij haar vroegste kinderjaren heeft gesleten, en dat haars vaders eerste plaats geweest is,--daarvoor vrij wat minder sympathie aan den dag legt dan drie jaar geleden toen zij het lieve dagje er doorbracht. Ook de kinderen, die niet school gaan, hebben den Betuwnaar eenige oogenblikken hun bijzijn geschonken. Hun mama heeft met een stoute vermijding van het woordje neef, de lieve bleekneusjes, die keken alsof ze vies van dien man waren, gelast om hem te vragen: "hoe vaart u?" en om eens gauw een handje te geven.
Emieltje heeft "ajakkes" gezegd, en Lieze heeft gehoorzaamd maar is met een fluisterend "bah hoe ruw!" spoedig teruggeloopen, terwijl de beide andere spruiten zoo in 't oog loopend om "de gekke praat" van dien man hebben gelachen, dat mama sito den aftocht bevolen heeft.
De Haagsche neef is thuis gekomen—erg laat;--(hij had op 't bureau een knipbriefje van mevrouw ontvangen). Waarlijk op 't eerste abord weet hij niette.... wie hij 't plezier heeft vanne.... Ah zoo, ja juist! ja—ja wel: 't is al lang geleden, maar, hij herinnert zich toch dat hij met zijn vrouw—toen ze zoo graag haar geboorteplaats wilde bezoeken, eens een achtermiddagje bij "u" heeft doorgebracht. Hij vindt het recht vriendelijk dat "u" de moeite heeft genomen van hier een bezoek te brengen, en dat.... dat het regenachtig weer blijft; enne wáár of "u" gelogeerd is? maar—dat "u" toch stellig moet blijven eten à la fortune du pot; wel zeker, wel zeker!
Voor de kinderen wordt het een feestdag. Mama heeft goedgevonden dat ze alleen op de kinderkamer zullen eten. Sientje krijgt de handen ruim, want mevrouw heeft gezegd: "Sientje 'k zal zelve wel dekken, omdat mijnheer met dien man iets praten moet."
't Geen er echter tusschen dien man en mijnheer wordt verhandeld is van zeer weinig belang, want mijnheer handelt bijna uitsluitend over het weinig belangrijke dat de residentie bezienswaardig oplevert.
"Moar de standbeelden van Willem de Zwieger te peerd en te voet?" meent Janssen.
"Ja—ah ja! die zijn niet onaardig," zegt Van Middelnesse: "ja, die moet u zien;" en mijnheer heeft een allerliest plan geformeerd. Ziet u, morgen is hij den geheelen dag—letterlijk den geheelen dag—bezet; hoe gaarne ook, hij zou "u" niet kunnen vergezellen, maar straks, na 't eten, tegen den avond, dan zal hij 't genoegen hebben om de stad eens met "u" rond te gaan: 't is dan, met het gaslicht, alleraardigst op straat, en de standbeelden ziet men evengoed als bij dag.
"Komaan," vervolgt de gastheer, nadat hij even voor 't venster gestaan en—trommelende met zijn blanke vingers op een der ruiten—van mevrouw eenige fluisterende woorden heeft opgevangen: "komaan, u moest in elk geval dezen nacht maar onder ons dak blijven; mijn avond wijd ik u gaarne, en morgen.... morgen ziet u"--peinzende--"morgen heb ik misschien wel iemand, die u—och, voor een bagatel, den weg zal wijzen. Ik voor mij—ja, 't is ook waar, Emilie—overmorgen vroeg moet ik absoluut—absoluut naar Amsterdam."
Ze woaren wel wat vremd en stief die minsen, redeneerde Janssen bij zich zelven, moar, ze wouen toch doen wat ze kosten; 't was ook wat straf om zoo moar oan te kommen: zij hadden indertied geschreven. Zie, ze kosten ook niet ruuken, dat hij plan had um' en dag of drie te blieven. Sanne-Kee hieuw van verrassings, moar, ieder mins deed dat zoo niet. Um nêf en nicht nou veur 't heufd te stooten en nog 'ens van 't logement te sprêken, neen, dat goeng niet; ze woaren toch vrindelik; dat briefke van die Paulet kos wel 'en oud briefke wêzen; dag of datum had 'r niet opgestoan.
"Nou nêf en nicht, dan neem ik de bretaliteit um van oe oanbod gebruu-bruik te maken," spreekt Janssen, "en as 'k oe niet genier dan za'k 'r moar rond veur uutkommen da'k 'r mergen nacht nog oan wou knoopen, um overmergen—jong dat treft oarig—met ou soam noar Amsterdam te goan!"
"O.... o.... wel zeker!" zegt de Haagsche neef, terwijl hij vreeselijk hard zijn neus snuit, en zijn echtgenoote kan, terwijl ze haastig naar buiten ziet, om 't fatale, een glimlach niet weerhouden.
Janssen had wel 'en drupke bitter gelust—moar ... da's zeker niet Hoags.
Heusch, mevrouw heeft woord gehouden: er is geen de minste omslag met het eten gemaakt—al was 't haar ook inderdaad wat schriel voorgekomen en gevoelde zij vis-à-vis dien gullen man iets verlegens—Charles had 't zoo gewild, en Charles..... Charles mocht ook geen last van haar bourgeoise familie hebben.
Mijnheer gaat zelf om wijn te halen, keert met een flesch terug, ontkurkt hem en schenkt:
"Heer, Emilie, nu heb je bier in plaats van wijn uitgezet."
"Bier! hemel, en neef zal liever wijn drinken; maar anders, dit bier...."
Och neen, Janssen is er best mee te vrêje—aldat 'r ook veur geen cent kerrazie in dat bier zit, en dat ie, as den brouwer hum zu'k bier leverde, zou zeggen: drink gij dat eiges.
Dat de moagen van nêf en nicht in de verloopen drie joar zin ingekrompen, dát geleuft ie veur vast. Munjesmoat, de schottels zin lêg, en, nêf zeit nog wel, dat ie "veel heeft gegeten."
Na 't diner wordt de Betuwnaar verzocht om mee naar mijnheers kamer een sigaar te gaan rooken; men behoeft dan niet bij 't tafelafnemen te zitten—gegeneerd met zoo'n meid!
"Goed nêf!" zegt Janssen, alschoon ie verlangt om is buuten te kommen.
En op mijnheers kamer rooken en praten de neven, en de Haagsche neef vindt het denkbeeld wel alleraangenaamst om overmorgen samen te reizen, doch geeft ernstig in overweging, of het niet veel geschikter zou zijn, dat u—altied u—dat u van hier op Rotterdam ging, om en passant de interessante plaatsjes Delft en Schiedam te bezoeken: "Delft, o Delft! daar heb je al je historische herinneringen, tot de trap toe waar Prins Willem de Eerste...."
"Joawel, zooveul as deur Baltesar Gerards van kant is gemoa.... maakt," vult Janssen aan. "Krek zoo, dus zou ie meinen da'k erst Delft most nemen....?"
"Zeker! heel zeker!" En Van Middelnesse ontwerpt inderdaad een zeer goed reisplan,--doch Scheveningen, Scheveningen vergeet hij!
"Moar 'k wou ook de zee zien," herinnert de Betuwnaar,
"Da's waar, da's waar ook!" Welnu, de cicerone, die Janssen morgen zal geleiden, moet hem ook naar de zee vergezellen. "Ziet u, eerst 't museum; daarna 't paleis; dán Scheveningen,--u zoudt er kunnen eten, desnoods; dán weerom; het kanaal; 't bosch; de oranjezaal; enfin, dan is u 's avonds weer thuis, kunt rustig uitslapen en den volgenden morgen met frisschen moed per eersten trein naar Delft!"
Janssen vindt het erg spietig dat nêf 't mergen zoo druk hét—moar, 't is nou niet anders; en nÚ--nu de lantaarnopstekers juist hunne ronde beginnen om de in schemer gehulde stad te verlichten, nu zegt Janssen: "Hê joa!" went Middelnes hét den veurslag gedoan, um nou moar is op te stappen."
In de gang gekomen ontvangt de heer des huizes van het loopmeisje de tijding, dat zij de juffrouwen Lamfer—waar nooit belet voor is—heeft binnengelaten. Van Middelnesse had reeds zijn hand aan den deurknop geslagen om even te zeggen dat zij uitgingen, doch, haastig, alsof hij zich brandde, trekt hij de hand weer terug, en fluistert den neef in het oor:
"O foei! dan kwamen wij in 't geheel niet de deur uit. Kom maar, eer men ons hoort."
"Allo maar," zegt Janssen, en volgt den neef buiten de woning en—bezichtigt Den Haag bij gaslicht, terwijl zijn voorname geleider, met een avondhoed, die hem diep op de oogen drukt, zorgvuldig de drukke straten vermijdt, omdat—omdat er haast geen doorkomen aan is.
V.