Baboe Dalima · M. T. H. Perelaer

Chapter 42: Naar en in de Goewah Temon.—Besluit

„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen.

In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar niets meer te bespeuren.

„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.

Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den kant, van waar zij kwamen.

Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig hadden.

„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal.

Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: Anna! Anna! scherp liet hooren.

Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden, werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen op eene geduchte proef stelde.

Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien konden.

Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.

„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! Vooruit!”

Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, waartegen hij brak, toebracht.

„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.

„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.

„Maar, waarheen, Nana?”

„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger zuidwaarts wees.

„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.

„Ja, daar moeten wij zijn!”

„Maar, wat wilt ge daar?”

„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”

„Daar eene schuilplaats, Nana?”

„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”

„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de naakte rots?”

„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.

„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht nemen?”

Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel, en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten, hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin, terwijl zij prevelde:

„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).

Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.

Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.

„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een toevlucht zoeken.”

En andermaal noordwaarts kijkende.

„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”

Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil, scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende, met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en niet verder!

Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle, rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.

„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer ver!”

En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de „invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo en cornet à piston gebracht:

„Un jour l’âme ravie,
Je vous vis si jolie,
Que je vous crus sortie
Du céleste séjour.
Etait-ce donc un ange, une femme,
Qui venait d’embraser mon âme?
Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour,
Je sais que j’âime d’un pur amour!”

Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:

„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”

Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:

„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt.”

Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen.

„Een verwoest leven!” zuchtte zij.

Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.

„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).

En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar naar de zee afdaalde, naar beneden.

„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat gij doen?”

Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit. Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was, welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde, kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien natuurlijken muur naar beneden voerde.

„Nana!... Nana!...” kreet zij.

Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen.

„Nana!... Nana!...”

Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden...

„Nana!... Nana!...”

Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg!

Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof.

„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals.

Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van Nerekool stond naast haar.

„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar is nonna Anna!”

„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte.

„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.

Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, dat die twee hem bij de beenen grepen.

„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet.

„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon.

Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292] behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het meisje opspatte als naar eene wisse prooi.

Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.

„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal.

Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder naar beneden.

Van Nerekool sprong op.

„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.

En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat daar beneden hen gebeurde.

Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te brengen.

Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot, welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde steeds... daalde... daalde nog meer.

„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar.

Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder, die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht, dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de handen losliet en in de diepte neerstortte.

„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.

Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom, die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd werd.

Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen op hunne nesten.

Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen.

„Wat nu?” riep de een.

„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.

Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij dat vernomen had, riep zij:

„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!”

En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, af.

En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.

De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten?

„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de grot brengt!”

De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek achter het oor.

„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.

Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen hen volgden.

„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak Grenits aanmoedigend tot hen.

„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” (pagaaien) gerept!”

De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes schepbladen snel vooruit.

Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden, rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. Zij scheen op schuim te dansen.

De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde.

„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg.

De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging.

„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij zelf zijn werktuig te water sloeg.

Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover, vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend wit schuim.

„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.

En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven....

„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne inspanningen verdubbelde.

Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op, die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar.

Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen.

Wat vond inmiddels daar binnen plaats?

Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok, waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen tot bij de opening en eenmaal op de ladder...

„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”

Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar doorleefde.

Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen.

Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen. Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.

Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.

Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren, alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te schrijden.

„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!”

Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat. Met een kreet voer zij op.

„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.

Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.

„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog onstuimig.”

„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...”

En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.

„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”

Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden. De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.

„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring.

Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat met honderden kussen.

„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”

„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.”

„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.

Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. Althans met weemoedige stembuiging hernam zij:

„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?... gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.”

De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen hield.

„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet kunnen worden?” vroeg hij met aandrang.

„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen uitvoerig... Laat mij nu los!”

Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter niet.

„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij.

„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.

„Nu uw vader en moeder d...”

„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het laatste woord nog uitgesproken had.

Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing.

„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik gelooven?”

„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, Anna?”

Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op haar gemaakt had.

„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.”

„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar herwaarts reisde....

„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”

„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar Soeka maniesan?”

„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij.

„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het overlijden, een telegram...”

En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide, had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.

Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het gebeurde ongedaan maken.

Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog, pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.

„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. „Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.”

Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af.

„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar bengelt, spoedig bereikt.”

Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan.

„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet meer te willen ontvluchten?”

Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar onmogelijk een woord te kunnen uiten.

„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”....

Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep die hand, hij drukte er een innigen kus op.

„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier weg!”

Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.

„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”

Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en bood haar dat aan.

De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.

„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was.

De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den djoekoeng glijden.

Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met jachtgeweren gewapend waren.

Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude zijn.

Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky.

„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht geslaagd?”

„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.

„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”

„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293] gevangen.”

„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het lijf.”

Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan het kapelletje dat opgespoord was.

Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat [294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de jonggetrouwden omgaf.

Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht! Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan zoude het opiumverbruik wel verminderen.

En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten, doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd. Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat voornemen stipt getrouw zou blijven.

AANTEEKENINGEN

[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het jaar 1886.

[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R. Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.

[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die microscopisch klein zijn.

[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer fraai en uitmuntend timmerhout op.

[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden.

[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.”

[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren. Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van wege hunne kronkelingen genoemd.

[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt.

[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het gevaar althans is dan verdwenen.

[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.

[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.

[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot de dood er op volgt.

[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten.

[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.

[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild botermerk in Ned.-Indië.

[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G.

[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is.

[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen zeer gewild zijn.

[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn.

In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor model van haar romantisch zusje gediend.

[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: „Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”

[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor politie-agenten.

[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen. Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den hoogst mogelijken graad van woede opgezweept.

[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de scherpte van de steenkalk.

[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.

[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde plek van het huis.

[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa der geleerden.

[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de Platydactylus guttatus.

[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca maakt.

[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden. Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.

[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens, kris, lans, enz. zijner voorouders.

[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen kan.

[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk bladz. 267.

[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie.

[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag.

Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.:

„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang het belang der pachters medebrengt het te behouden.”

[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F. Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C. Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.

[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.

[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur, en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa (Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen) toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of assistent-residenten als voorzitters der landraden op.

[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196.

[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal.

[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, 16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van 1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.

[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de wandelingen.

[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium uitmaakt.

[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J. den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden en G. Kolff & Co., te Batavia.

[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40 hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen. De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.

[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een sterk werkend aphrodisiacon gehouden.

[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 meter.

[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de voornaamsten zijn.

[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten. De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.

[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata.

[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal, Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.

[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand bestendigd werd.

[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden, „door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”

Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov. 1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door haar zelve geschied is?

[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz.

[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni plaats, in de bergstreken later.

[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115.

[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg overbodig is.

[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche hoofden plaats.

[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis, die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij Pteropus edulis geheeten.

[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.

[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een paar kamertjes bespeeld worden.

[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.

[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische legenden aanschouwelijk gemaakt.

[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste soort.

[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten. „Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche moeite worden gemaakt.”

Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel overdreven mag heeten.

[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag. Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan worden.

[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van een katie, of het 0,368 van een milligram.

[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor 1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.

[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te gronde richtte.”

[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen. Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in grachten, slooten, enz. gevonden.

[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald.

[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.

[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier bevelen te zorgen heeft.”

[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de geleerden Canarium commune geheeten.

[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren. Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend.

[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.

[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn.

[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia.

[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in het haar gedragen worden.

[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de hoofdplaats Makassar.

[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer volmaakt op dit gebied uit te denken is.

[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica.

[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede Acacia tomentosa.

[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur.

[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven toestand van verwaarloozing verkeerden.

[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen. De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en Nederland plukt er de vruchten van.

[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag, hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.

[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming.

[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld.

[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een scheldnaam.

[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende.

[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren.

[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers met graagte genuttigd.

[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera foetida geheeten.

[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.

[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren.

[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.

[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea.

[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van N.-I. XXXVste Deel.

[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.

[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.

[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212 aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen.

[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.

[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar.

[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz. reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. 162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”

[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd.

[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen. Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt. In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche Vertegenwoordiging!

[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik aanbevelen.

[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt, leert de noot op de vorige bladzijde.

[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk, aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. September 1884 No. 1.

[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872 (Ind. Stbl. No 170).

[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij! Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel, maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.

[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in Noord-Oost-Celebes maakt.

[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.

[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene verliest, wat hij reeds erlangd heeft.

[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen, wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.

[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde genoemde Eclypta erecta.

[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.

[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona Grandis.

[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis geheeten.

[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren.

[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam.

[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten, die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.

[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera.

[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren.

[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te bevestigen.

[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang” genaamd, gaar wordt gestoomd.

[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten. Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.

[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch gekookt.

[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche peper.

[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.

[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort, die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum baccatum) verkregen wordt.

[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.

[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan van hertenvleesch.

[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes geregen.

[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.

[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep beteekent gerookt.

[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is.

[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859 bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.

[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der aanteekeningen.

[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned. Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:

„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot dusverre geene onverschillige zaak is geweest.”

Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.

[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.... Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de inlassching in mijne romantische schets noodig was.

[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring over te brengen.

[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard.

[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.

[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan.

[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.

[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en Madoera opgedragen.

[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s, receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten dan binnen.

[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.

[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.

[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des ours gewaagde.

[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C. Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.

[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië geboren zijn.

[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het eerste deel.

[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd worden.

[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder.

[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken, lakkel maken.

[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de brochure:

Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik gaarne.

[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura (Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als volgt:

„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. 22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl. regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:

a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7​; b) aan den aanhaler of de aanhalers 2⁄7​; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7​; blijvende... enz.”

[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.

[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.

[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5 (Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No 106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de assistent-residenten voor de politie.

[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij uitnemendheid.

[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. M. de Groot.

[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van het Arabische sjachbat = vriend.

[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt:

„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren.

„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid buiten den ketting van gelijke duur.”

Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.

Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook toegepast wordt.

Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!

[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en brandstichting daarbij niet zelden voorkomen.

[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de belangrijkheid van hunne perceptiën.

[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ 3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend slechts ƒ 13,87 per katie.

[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).

[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien kommandant geopend worden.

[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op 1900 voet boven de oppervlakte der zee.

[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene hoogte van 1252 voet.

[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e deel.

[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.

[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.

[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”

’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?

[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)

[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?

[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.

[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!

[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.

[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:

„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”

Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is.

[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van het Zuiden.

[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid.

[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare Europeesche geslachtsgenooten.

[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam duidelijk zullen zijn.

[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is.

[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.

[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen (Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 M. of 1⅙ paal geschat kan worden.

[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent.

[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden.

[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283 van het eerste deel.

[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene zeer gewilde lekkernij.

[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga saccharifera.

[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.

[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht maar met sterken geur.

[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer.

[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank in de heldervolle a over.

[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover niet oude getrouwde vrouwen bezigen.

[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot degelijke werklieden gevormd kunnen worden.

[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.

[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de Chavica bettle.

[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot.

[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van het eerste deel.

[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden.

Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000 dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het katie 708,000 Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000 In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No. 229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000
=========
totaal uitgaven 2,604,000

Transport uitgaven 2,604,000 Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts 11800 katies tjandoe verkregen werden. Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200
=========
zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200

Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te doen is.

De quaestie verandert evenwel, wanneer de sluikhandel in het spel komt. Een der meest bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600 kisten opium, die hen van gouvernementswege verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900 katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600 tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87, die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777; waarbij te voegen om te zuiveren en te prepareeren 6,000; 169,777
=========
zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823

En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond te kijken.

Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen, dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.

[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.

[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël heeft 100 mata’s.

[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:

„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”

Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47 van het eerste deel.

[210] Mata beteekent eigenlijk oog.

[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.

[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78 van het eerste deel.

[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.

Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.

[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!

[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich begrijpen.

[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter serment.

[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor, kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, drie kapiteins- en tien luitenants-titulair.

[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening No. 2 aangehaald op bladz. 149.

[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.

[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.

[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande.

[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt. Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de kolonisten uit hun vaderland medegebracht.

[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter afwering van het schelle daglicht.

[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page, photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan hebben verrijkt.

[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.

[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in die gewoonte?

[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà le débat oral devenu inutile.”

[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel.

[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen spreken, welke toch waarborgen van succes geven.

[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de oppervlakte der zee.

[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan, de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de Zuidkust van Java.

[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren.

[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank.

[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie heggen en heeft zeer welriekende bladeren.

[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders, waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.

[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie bruine kleur oplevert.

[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte goed gebracht werden.

[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa.

[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der tinten zacht, minder scherp te maken.

[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.

[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen. Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot.

[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.

[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt vereischte.

[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken. Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het geknetter van het geweervuur laat vernemen.

[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen in den echtelijken staat.

[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd. Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.

„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000 opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen, volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk.

„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.”

[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden. Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien.

[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad.

[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de Chineezen de eereplaats.

[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J. J. M. de Groot op bladz. 68.

[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op bladz. 45.)

[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus.

[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes worden op dunne stokjes bevestigd.

[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.

[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de Chineezen rattenooren verorberen.

[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen en veelvuldig in den handel gebracht.

[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië verworven heeft.

[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan de voet van de eerst aangehaalde bladz.

[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145. De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele litteratuur niet zielverheffend is.

[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin, waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.

[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden, waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197), luidt:

„De verpachting wordt gehouden:

„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident van Batavia, ter hoofdplaats Batavia;

„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang;

„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van Gewestelijk Bestuur.”

[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking meer gewild dan de centen.

[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer bladzijden voor zich liggen.

[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw Agatha van Bemmelen.

[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera, crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben.

[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en bereikt eene hoogte van 2580 voet.

[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.

[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den grond uit.

[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886 geraamd op ƒ 174.000.

[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort, waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer twee duim middellijn hebben.

[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt, dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.

[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853, bladz. 304.

[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden. Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren.

[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft. Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding, om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op te zweepen.

[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz. 238.

[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ Oosterlengte van Greenwich.

[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen doorgeslagen wordt.

[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden gebruikt.

[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam.

[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt wordt.

[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta naar Tjifatjap was in aanleg.

[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den dood.

[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel.

[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.

[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.

[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch riet genoemd en munt uit door suikergehalte.

[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren. Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!

[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens de dood hem uit zijn lijden verlost.

[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van het eerste deel.

[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng.

[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op 7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is.

[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt daarmede zeer weinig.

[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van Gulpendam.

[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene hoogte van 10.385 voet.

[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste deel.

The end.